Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK A.

Constructies en Gebouwen, voor het bewaren van hooi en granen bestemd.

De toepassing van verschillende inrichtingen voor het bewaren van veldvruchten hangt voornamelijk af van de streek, waar het bedrijf wordt uitgeoefend. In Limburg zijn schelven of mijten gebruikelijk; van Overijssel en Gelderland tot in Zuid-Holland vindt men de hooi- of graanbergen in verschillende overgangsvormen ; terwijl graanschuren worden aangetroffen zoowel in Noord-Brabant op het zand, als in de kleistreken langs de Noordzeekust.

Om te weten, hoe groot op een bepaalde boerderij een schuur of berg moet zijn, is het van belang om de opbrengsten van het bedrijf te kennen.

1. Opbrengsten per H.A.

Als leidraad voor het zand en de klei kan men vrijwel de volgende cijfers als gemiddelden aanvaarden:

OPBRENGST

GEWAS. ■ ■ . 1rnn Gewicht per H.L.

, . „ , aan hooi of stroo in K G

aan zaad in H.L. . im R Q

Tarwe I 30—50 5 + 75

Rogge 25—40 4 64—72

Gerst 40 —50 2-3 60—64

Haver 30-60 2—3 40—50

Kanariezaad 20—40 60

Boekweit 15—30 60—65

Boonen 25-30 2-3 75-82

Erwten ± 30 ,2-3 77-81

Koolzaad + 25 65—80

Karwij +25 (baaltjes) — 50 K.G. (per baaltje)

Eet-aardappelen + 250 — + 70

Mangelwortels 50—60,000 K.G. 18—20 (blad)

Suikerbieten 30-50,000 K.G. 5- 7 (blad)

Vlas 5—10 2— 5 (ruw vlas) 64—75

Roode Klaver 4—6 4—7 )

Witte Klaver ....... 2-3 2-2,5 > 78-82

Luzerne 5—7 4—8 )

Sluiten