Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Door een kraagvoorziening van de steunpunten kunnen de schelven muisvrij worden gemaakt, b.v. van ijzer (fig. 5c), steen (fig. 56) of bestaande uit een reep blik of afgekeurden en omgekeerden gegalvaniseerden emmer.

Een middenstijl vermindert de kans van omwaaien (fig. 2a en 2b) en geeft gelegenheid tot bevestiging van de beschermende stroolaag.

b. Hooi- of graanbergen.

Van deze mijten tot de hooibergen is de overgang eenvoudig wanneer de kapconstructie beweegbaar wordt gemaakt, en daardoor niet elk jaar behoeft te worden vernieuwd. De één-roeden bergen (fig. 3« en 36), zooals die langs den Gelderschen Usel voorkomen, zijn zoo klein, dat meestal twee mannen de kap kunnen tillen. Bij grootere afmetingen dient het eenvoudige windwerk, waarvan de constructie geen nadere toelichting behoeft; evenmin als bij de twee-roeden bergen van de Veluwe (fig. 4a, 46 en 4c) waarbij de kap telkens wordt opgeheschen, en gedragen door een verstelbare ijzeren pin.

De meer volmaakte bergen zijn vierkant, vijf- of zeshoekig.

De schuurberg in de Betuwe (fig. 6a, 66 en 6c) is meestal vierkant, terwijl twee of drie zijden van een aanbouw zijn voorzien, waarin kippen, varkens en jongvee gestald, of gereedschappen en brandstoffen geborgen worden.

Vroeger werd, wegens gevaar voor overstrooming, op ongeveer 3 Meter boven den bodem een vloer aangebracht, waarboven een veilige bewaar- of schuilplaats ontstond. Bij vijf- of zeshoekige bergen worden de vloerbalken in het middelpunt gedragen door een zware gemetselde kolom. De z.g. Hollandsche bergen zijn veel grooter van afmetingen (plaat II, fig. la) en kosten veel arbeid bij het rijzen of zakken van den kap. Waar dit telkens sprongsgewijs bij één roede tegelijk plaats vindt, moet de kapconstructie geheel scharnierend worden gemaakt; dit is voornamelijk het geval bij de volgende onderdeden: de topverbindingen van de z.g. „vijf kanten" of „zeskanten" (fig. ld) die de hoofdconstructie van de kap uitmaken, met de laningen; verder de ontmoeting van de laningen of laanhouten aan den buitenkant van de roeden (fig. Ie en 1/), en de bevestiging met pen en gat van vijf houten en daksparren in de laningen (fig. lc). De sparren rusten boven op de zwaarden.

Op de hoeken zitten ijzeren beugels (fig. Ie) waarmede de kap wordt opgehangen aan ijzeren pennen in de roedegaten. Bij het winden kan de pen dan een of twee gaten „verstoken" worden.

Het winden gebeurt met een „bergheeft" (fig. 3a, 36 en 3c) door twee of drie mannen, waarvan een den spil plaatst op het onderste blok van het heeft, en tegen den hoek van twee laningen. Een jongen zorgt dan voor het versteken van de pen.

Dit gevaarlijke werk is tegelijk tijdroovend, gedurende het oogsten en het dorschen vindt het bij voortduring plaats. Eenvoudiger en. meer handzaam zijn

Sluiten