Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De doorstroomendé hoeveelheden kunnen worden berekend, *) maar bedragen toch niet meer dan ongeveer 5 pet. van de behoefte. Het doorlatingsvermogen daalt met de dichtheid van de wanden, de bepleistering, neerslag van vocht enz.

Aan de kunstmatige ventilatie stelt men de eischen, dat ten allen tijde volkomen in de behoefte aan versche lucht wordt voorzien en dat de versche lucht langzaam, door juiste keuze van aan- en afvoeropeningen moet intreden, zonder tocht te veroorzaken en zoo mogelijk wat voorgewarmd, terwijl tegelijk de bedorven vochtige stallucht moet worden afgevoerd.

Naar omstandigheden moet men aan- en afvoer ook kunnen regelen.

Voor volkomen ventilatie is het van belang, om aan- en afvoeropeningen te scheiden. Om tocht te voorkomen is het beter een groot aantal kleine aanvoeropeningen te maken dan enkele groote. Ook vergroot men dan de kans om alle hoeken door te kunnen spuien.

Hoofdzakelijk wordt de kunstmatige ventilatie veroorzaakt door den druk van den wind en die welke ontstaat door temperatuurverschillen binnen en buiten den stal; dientengevolge nog wel eens onderscheiden in horizontale en verticale ventilatie.

Het meest primitief geschiedt de ventilatie door willekeurige openingen in den muur, soms van een buis voorzien die iets afwaterend is gelegd (Serie C, Plaat I, fig. 1). Deze openingen komen voor boven tegen de zoldering en onder langs den vloer. Zij leveren veel tocht, koelen te sterk af en moeten afgekeurd worden met het oog op de gezondheid van het vee. Een te vlugge doorstrooming van de koude lucht wordt vermeden door het aanbrengen van aarden T-stukken (fig. 2a en 2b), die bovendien altijd eenigermate een zuigende werking vertoonen.

Meestal dienen uitsluitend de ramen voor de luchtverversching. Waar de warme lucht opstijgt, en de koude lucht door haar gewicht spoedig naar beneden zakt, moet het niet verwonderen dat bij de talrijke verkeerde typen van ramen (fig. 3) een toestand optreedt als door de pijltjes aangegeven, waarbij het vee dus weer aan tocht staat blootgesteld. De as van draaiing moet altijd horizontaal wezen en gelegen zijn onderaan het draaiende gedeelte (fig. 4 en 5), zoodat de aangevoerde lucht gedwongen wordt een boog te beschrijven bij het intreden in den stal, en het vee hierdoor van tocht kan worden gevrijwaard. De ramen moeten voorzien zijn van zijdelingsche tochtschermpjes, om de aanvoerrichting per sé in de hand te hebben. Ramen hebben evenwel het nadeel dat steeds groote hoeveelheden koude lucht plaatselijk worden aangevoerd, en dat ze bij wind en regen meestal en 's nachts bijna altijd zullen worden gesloten.

Aanbeveling verdient het dan om luchtkanalen aan te brengen, die door hun verticale richting de lucht steeds geleidelijk zullen aanvoeren (fig. 6, 7 en 8). Zij kunnen gemaakt zijn van oude vlampijpen of gasbuizen (fig. 6), waarvan er dan b.v. 4 tot 6 in de borstwering van het raam uitmonden- Buiten komt de opening

*) Zie o. a. de nummers 17, 18, 19 en 20 van de Bouwwereld, Jaargang 1918.

Sluiten