Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit staltype kan worden verbeterd, zooals in Noord-Holland voorkomt (fig. 3). Een doorgaande voedergoot loopt langs de koeien heen; het drenken geschiedt met drinkbakjes. De schotjes worden van ijzer gemaakt; de stand lager genomen, en de gierafvoer verbeterd door een doorgaande overdekte giergoot onder den mestgang te leggen. De zijmuren van de nieuwere boerderijen komen hooger, waardoor licht en lucht beter den stal kunnen binnentreden.

In enkele modelstallen nog maar, waar men gebroken heeft met de gewoonte om hooi en vee in een zelfde schuur onder te brengen, komen de koeien in een dubbele rij met de koppen naar elkaar, zoodat een voedergang daar tusschen in ligt, en aan weerszijden een mestgang aanwezig is. (De gewijzigd Friesch-ZuidHollandsche stal). De stand zelf blijft overigens Friesch, met schotjes en groote lengteafmetingen. De voedergoot (VI, fig. 9) wordt aan de voorzijde met een verticale plank afgesloten, tegen het morsen. Het weer inbrengen van overgestort voeder is evenwel lastig.

Gaat men nog een stap verder, dan kan in elke Friesche, Groningsche of Noord-Hollandsche boerderij (wanneer de stalbreedte het toelaat) de veestand geheel omgedraaid worden zooals vroeger is afgebeeld (II, fig. 3). Een dergelijke inrichting voldoet aan alle redelijke eischen, terwijl aan de genoemde bezwaren wordt tegemoet gekomen. Op deze wijze heeft de Zuid-Hollandsche grupstal zijn intrede in de Friesche boerderij gedaan.

In de zandstreken gaan de potstallen hoe langer hoe meer verdwijnen. De algemeene bezwaren zijn wel deze:

1. Het staan op den mest bevordert in hooge mate de onzindelijkheid en benadeelt de gezondheid en het productievermogen, terwijl de mestbewaring op andere manieren evengoed, zelfs beter, kan worden verzorgd.

2. Verpleging en voedering komen niet tot hun recht door het ontbreken van dichte vloeren, en totaal gebrek aan licht.

3. Doordat de stal zoo vuil en de staldiepte meestal zoo gering is, waagt niemand zich achter het vee, waardoor alle toezicht ontbreekt.

4. Vaak dient de voedervloer tegelijk voor dorschvloer of tot voederbewaarplaats.

Met behoud van het boerderijentype kan men meestal de stalinrichting verbeteren. In Gelderland en Overijssel gebeurt dit door den knieboom en de hilde zoo ver vooruit te brengen, dat voor veestand, grup en mestgang een diepte van minstens 3,00 Meter beschikbaar komt. De deel is meestal toch meer dan breed genoeg, terwijl het dorschen meer en meer plaats vindt in aparte dorschschuren. De hilde wordt stofdicht gemaakt, en hooger aangebracht (fig. 2). Kippenhokken enz. verdwijnen uit den stal. Mestgang en veestand worden beter verlicht. Ook hier is de Zuid-Hollandsche grupstal het aangewezen model.

In Limburg echter is de lange stand nog zeer algemeen (fig. 4). Doordat de voedergoot zoo hoog ligt en het vee een goede ligplaats moet hebben, moet noodwendig de giergoot naar achter, evenals dit in vele Duitsche stallen het geval is.

Sluiten