Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het gevolg is, dat hét vee gaat liggen in den mest, dien het al etende heeft geproduceerd. Ondanks ruime strooiing kan het vee niet zindelijk gehouden worden, terwijl door den onvoldoenden gierafvoer er veel stikstof verloren gaat.

Het stroo heeft bovendien te groote verkoopwaarde om het zoo roekeloos in den stal voor strooisel te gebruiken.

In Noord-Brabant geeft de potstal met dwarsrijen dikwijls een schoone gelegenheid tot het bouwen van een doelmatigen stal.

In aansluiting met het bestaande (VIII, fig. 2) ligt de mestgang tusschen beide rijen in, en wordt meestal daaronder de gierkelder gebouwd. Vooral wordt hierbij de aandacht gevestigd op den gierafvoer door zinkputjes en stankafsluiters.

Het dicht maken van de zoldering doet de behoefte aan ventilatiekokers ontstaan, die het beste boven den voedergang langs de opgaande stalmuren naar boven worden geleid.

De openingen van de voormalige groote mestdeuren worden nu benut voor het maken van een kleinere deur, met boven- en zijlichten. Menige NoordBrabantsche potstal is op deze wijze in een goeden grupstal veranderd.

In Zeeland, Noord-West Noord-Brabant en de Zuid-Hollandsche eilanden is de zuivere grupstal ook niet aanwezig. Voedergang, voedergoot en grup wijken in meerdere of mindere mate af. Van een verbetering van deze stallen kan verwezen worden naar fig. 3, plaat II.

Ook in Zuid-Holland ten Noorden van de eilanden is de toestand niet rooskleurig, hoewel de zoogenaamde Zuid-Hollandsche grupstal hieraan is ontleend, wat de naam trouwens aanduidt.

De verlichting is dikwijls onvoldoende, de voorgeschreven valramen treft men nog zelden aan, evenals de ventilatiekokers.

Bijna nergens vindt men een dichten vloer onder de voorbeenen.

De voedergang ligt meestal te hoog, zooals fig. 1, plaat VIII dit laat zien, waardoor al het vuil van den gang in de goot terecht komt. De goot zelve is bijna altijd te smal en te diep. De bodem van de goot moet minstens evenhoog zijn als de standplaats onder de voorbeenen, liefst eenige centimeters hooger liggen. Genoemde figuur laat evenwel zien, hoe aan de meeste van deze gebreken kan worden tegemoet gekomen.

De gier- en mestbewaring wordt door de inrichting van de veestallen in de kleistreken als regel in hooge mate verwaarloosd.

Jonge stieren kunnen een plaats krijgen op den veestand, hoewel soms door een schot van de koeien gescheiden. Alleen de gierloozing is dan natuurlijk anders. De stand kan vlak zijn, en alleen iets hellen naar het midden, waar een zinkputje met rooster is aangebracht, met een afvoerleiding naar de grup.

Voor andere stieren is de stand al gauw te kort; dan komen de boxen in

Sluiten