Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De betonspecie kan zijn als volgt: 1 P.C. 2 zand, 4 grint; met een pleisterspecie van 1 P.C. 2 zand.

Deze opgaven zijn aan de grens van het schrale; maar er moet mede rekening worden gehouden, dat krimpscheuren niet mogen optreden omdat die later bezwaarlijk kunnen worden gedicht; en dat lichtelijk poreus materiaal door de gier op den duur toch wordt dichtgeslibd.

Vreest men voor de inwerking van den gier op de specie, dan kunnen de wanden nog door dichtingsmiddelen worden beschermd. In dit verband kan men noemen: teer en asphalt.

Aan den gierkelder onderscheidt men bovendien nog: het pompgat en een tweede opening, die zeer nuttig blijkt te zijn bij de jaarlijksche schoonmaak. Neemt men de deksels af, dan kan onder den invloed van de luchtstroomingen het koolzuur, dat zwaarder is dan lucht, ook wegspuien, waarmede de gezondheid van den arbeider ten zeerste is gebaat (fig. 5a en 5b).

Onder het pompgat dient een putje te worden aangebracht, waar de zeefkop van de gierpomp in wordt geplaatst en waardoor de laatste hoeveelheden gier uit den kelder kunnen verwijderd worden, wanneer overigens de vloer uit alle richtingen een weinig naar het putje helt.

Bij . kubeering van den kelder moet men bedenken, dat de gier niet hooger stijgt dan de bodem van de grup. De inhoud van den gierkelder wordt bepaald op grond van overwegingen, of 's winters de gier over het land moet worden gebracht. Meer en meer wordt het gebruik, om gedurende het winterhalfjaar al de gewonnen gier te kunnen bergen. En dan rekent men bij middelmatige strooiïng per volwassen koe op gemiddeld minstens 2500 Liter, per paard 2000 Liter en per volwassen varken 600 Liter.

b. De mestvaalt.

De mestvaalt dient tot goede bewaring van de vaste uitwerpselen; men moet daarom trachten te verhinderen, dat nuttige bestanddeelen in den bodem zouden trekken.

Met het oog op arbeidsbesparing plaatst men de vaalt liefst langs de stallen met een vrije ruimte van 3 tot 5 Meter daartusschen.

De vorm moet zoodanig wezen, dat de mest gemakkelijk kan worden uitgereden ; hoewel dit nader van het erf afhangt, is een gerekte vorm gewenscht, met uit- en opritten in de korte zijden.

Wat constructie aangaat, kan op verschillende manieren een dichte vloer worden gemaakt. Een bestrating met volgestreken voegen of een betonvloer zijn goed waterdicht; maar in vele gevallen is een laag gestampt puin of leem met veldkeien voldoende. Deze laatste vloeren hebben bovendien het voordeel van elastisch te zijn. De massieve vloeren moeten dan ook zoo zwaar zijn, dat de zware mestwagens kunnen worden gedragen en geen scheuren worden veroorzaakt

Sluiten