Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De grup, die een breedte heeft van + 0,60 Meter, en een diepte langs den mestgang van ± 0,25 Meter, moet eens of tweemaal per dag worden geruimd.

Wordt de gier nu alleen aan het einde van de grup afgevoerd, dan zal de vaste mest haar den weg versperren. Beter is het, om elke 4 of 5 standen een zijdelingschen afvoer tot stand te brengen. Een helling van 1 c.M. per Meter is in den regel voldoende, wanneer een geultje wordt opengehouden; maar op een lange rij zou de diepte van de grup te zeer toenemen, en ongelukken kunnen veroorzaken. Bij zijdelingschen afvoer zal de grup telkens van weerszijden naar de leiding eenige helling vertoonen, maar dooreengenomen toch overal dezelfde diepte bezitten. In breedterichting is een helling noodig van 2 tot 3 c.M.

Het stroo en het grove vuil worden tegengehouden, door vóór die zijleidingen een rooster aan te brengen (fig. 6, 7, 8 en 9); terwijl de fijnere bestanddeelen worden opgevangen in een sinkputje direct achter of onder grup of goot. Van uit het zinkputje loopt de buisleiding naar den kelder (fig. 6). Druppelt nu de gier den geheelen dag in den kelder, dan treden verliezen op, die vermeden kunnen worden wanneer men de gier onmiddellijk tot aan den bodem van den kelder voert. Mondt de buis nu uit ongeveer 15 c.M. boven den bodem dan zullen zich onder de opening nog wel zinkstoffen neerzetten, die af en toe met een stok kunnen worden verwijderd, wanneer het verticale gedeelte tot boven de zoldering reikt en met een stop is afgesloten.

Tegelijk wordt hiermede het voordeel bereikt dat omgekeerd de vervluchtigde kwalijkriekende gassen niet meer door de leiding heen, den stal kunnen intreden; wat natuurlijk ook weer in het belang van den veestapel is. Vandaar dat deze inrichting met den naam stankafsluiter wordt betiteld.

Ligt de gierkelder onder den mestgang (zooals in Noord-Brabant gebruikelijk), dan wordt de aparte stankafsluiter niet altijd aangebracht, en volstaat men dikwijls met in het zinkputje een stankscherm aan te brengen (fig. 7) hiermede wordt het doel evenwel slechts voor een gedeelte bereikt.

Beter is evenwel de combinatie van zinkputje met stankscherm vóór aan de leiding (fig. 8), met stankafsluiter aan het einde; vooral wanneer het een lange leiding betreft. Want in de leiding heeft de lucht anders nog vrijen toegang. Om de zinkputjes geregeld schoon te kunnen maken, moet een dekseltje aanwezig zijn, liefst vóór het stankscherm.

Ligt de gierkelder aan het einde van een lange grup, dan kan het aanbeveling verdienen om de gier telkens zijdelings af te voeren naar een doorgaande giergoot onder den mestgang (fig. 9). Deze goot wordt met een plank van hout, beton of ijzer afgesloten, en mag ongehinderd een flinke helling vertoonen; een geregelde reiniging van deze goot blijft intusschen aanbevolen.

In varkenshokken en boxen voor paarden en stieren zal de gierafvoer dikwijls naar het midden plaats hebben, waar dan een ijzeren zinkputje wordt aangebracht (fig. 10). Onder het afneembare rooster hangt dan een emmertje, dat de vaste

Sluiten