Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In den loop van Januari 1580 verschreef de Prins van Oranje, die zich toen uit het Zuiden naar Noord-Nederland wilde begeven, de Amsterdamsche gedeputeerden naar Den Haag „om by zyn tusschenspreecken te accordeeren mit den Heren Staten over die communie vande oude schulden" 1).

Cornelis Florisz. van Teylingen begaf zich 30 Januari derwaarts met Claes Cornelisz. van Vlooswyck en den pensionaris Ruysch2). De onderhandelingen vonden echter niet plaats: de Prins — 1 Februari 1580 des avonds in Den Haag aangekomen 3) — ontving wel gecommitteerden der Staten (o. a. Oldenbarnevelt en Boelens)4), die hem onder meer de toenmalige moeilijkheden met Amsterdam, Haarlem en het Noorderkwartier kwamen uiteenzetten, maar verschoof — zonder zich over de Amsterdamsche questies5) uit te laten — de onderhandelingen met Amsterdam tot een nader tijdstip. Hij sprak als zijn voornemen uit de stad uit te noodigen tot het zenden van afgevaardigen naar Utrecht, waarheen hij zich weldra ter vergadering van de Staten der Naerder Geünieerde Provinciën zou begeven, „omme aldaer jegens de Gedeputeerden vande Staten sommierlijck opde voorsz differenten

!) Rap. v, thes. 1580, fol. 124.

2) Rap. v. thes. 1580, fol. 124.

3) P. BoR: Nederlandtsche Oorloghen, 1621, boek XIV, fol. 181. Res. St. v. Holl. 1580, bl. 20: 3 Febr.

6) Nml. die over de vendels (art. 4) en over de oude schulden (art. 15). Het zesde artikel van de remonstrantie luidt aldus: „Ten sesten, gemerckt mede dat de Burgemeesters ende Regeerders der Stede Amsterdam uyt krachte vande satisfactie bij de voorgaende Burgemeesters ende Regeerders der selver Stede van sijn F. G. ende de Staten van Hollandt versocht, tot koste vanden Lande van Hollandt, binnen der voorsz Stede uyt hare Poorteren ende Burgeren of Inwoonderen pogen t' onderhouden met al 400 Soldaten in guarnisoen, ende daer benevens onwilligh zyn van te contribueren inde schulden by den Lande van Hollandt geduyrende den Oorlogh ghemaeckt, 't welck noch occasioneert quaet ghenoegen onder de Burgeren vande andere Steden, dat daerom sijn Exc. gelieve ordre te stellen dat die van Amsterdam vande voorsz poincten desisteren, ende hen met de andere Leden van Hollandt * gelijck maecken."

Sluiten