Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

algemeene indruk was, dat de uitspraak van Zijne Excellentie f veel te voordeelig voor Amsterdam was uitgevallen1). •

Hoe dacht het zeer begunstigde Amsterdam zelf over de tweede uitspraak ? De Burgemeesters voelden zich door 's Prinsen artikelen — al waren die ook een uitvloeisel van hun eigen ontwerp — niet bevredigd. In twijfel of het beter ware ze aan te nemen dan ze te verwerpen (ze te „accepteren" dan te „refuseren"), wonnen ze het oordeel der Vroedschap in. „Ende communicatie opder zaecke voorsz int langhe gehouden" — zoo leert ons het resolutieboek — „naer dat oick den Raeden opder zaecke genomen hadden rapport," besloot de Vroedschap 30 Mei, „datmen die voorsz articulen zall refuseren te ontfanghen in sulcken schyne als die zyn, ende datmen die zaecke die justitie zall bevelen." Daar Zijne Excellentie in art. 9 verklaard had, dat door hem „aangaende die garnisoenen binnen deser stede ter eerster gelegentheyt ordre gestelt (zou) worden met twe vendelen knechten elck van hondert vyftich coppen onder twe capiteynen alsnu in dyenst zynde zulcx als Zyne Excellencie tot meeste gerusticheyt ende verseeckertheyt deser stede bevynden zall te dyenen," besloot de Vroedschap hare resolutie niet aan de Staten te openbaren, voordat ze gezien zou hebben „die middelen vande oirdre by Zyne Excellencie te stellen opt houden vanden garnisoenen alhyer, Ende oick vande

1) Ik heb naar die stedelijke opinies geen speciaal onderzoek ingesteld. Onder de oogen gekomen zijn mij die van Leiden, Rotterdam, Delft en Gouda. Rotterdam vond, „datmen geensints de poincten daer inne verhaelt, by die van "Amsterdam versogt, voor de gemeente (zou) kunnen verantwoorden'. Resolutien van de Vroedschap No. 3, bl. 747 en 748: 21 Mei 1580.— Delft wilde „de questie opte satisfactie eertyden die van-Amsterdam gegont, te weten off zy het inhouden van dien behooren te ghenieten dan niet, mét justitie.... doen decideren". Resolutiebouck van veertigen van 1565 tot 1581, fol. 167. — Gouda besloot in de uitspraak niet te „acquiesceren, aengesyen die van Amsterdam ten aenschouwe vande groote beswaernisse vande lande wel ghedult behooren te hebben ter beter gelegender tyt dat de landen in vreden waeren." Ingekomen stukken, 1578—1580: Extract uit het Goudsche Vroedschapboeck.

Sluiten