Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Burgemeesteren, schepenen en 36 raden, benevens de secretarissen, boden, notarissen en „andere Officieren" den nieuwen eed hadden afgelegd, behalve eenige zieken en afwezigen, die na hun herstel of terugkomst den eed nog in handen van den oudsten Burgemeester zouden presteeren1). Waarschijnlijk zullen enkelen met voorbedachten rade zich uit de stad' verwijderd of zich ziek gemeld hebben, want 1 September besloot de Vroedschap vier vroedschapsleden, die weigerden „die Prince van Orangien als hooge Overicheyt te zweer en ende inden Raedt te compareren" te doen citeer en tegen Maandag a.s. des namiddags óm drie uur [=6 September] „omme te compareren inden XXXVI Raeden, omme te aenhooren tgundt hen byden Raeden voorgedragen zal worden, ende dat op een pene van Xm Leytsche dubbelde steen, Welcke pene (men) aenden onwilligen realicken, ende metterdaet zal executeren, oick den zelffden zal interdiceren vuijter Stadt voor dier tyt te vaeren, op gelycke pene ende te executeren als vooren." Of de onwilligen, Jacob Jansz. Benningh, Jacob van Campen Huygensz., Jan Laurensz. Spiegel én Jacob Fransz. Oetgens toen gezwicht zullen zijn2)?

Toen Nyenburg in de stad vertoefde, hadden de Burgemeesters hem verzocht „Notule gemaeckt te werden", dat het omde eendracht te onderhouden hoog noodig was in alle Hollandsche steden „ordre te stellen, dat de Capiteynen, Bevelhebberen, ende generalijck alle de Schutterijen, mede tot Eèdtsveranderinge gebracht mochten werden, omme daer naer het self de van gelijcken binnen Amsterdam, mede ter presentie

die over de eedsaflegging anders dachten — en dat waren er minstens vier — zullen de vergadering wel niet hebben bijgewoond. ' *) Res. St. v. Holl. 1582, bl. 46: 3 Febr.

2) Res. Vr. No. 4, fol. 219: 1 Sept 1582. Wagenaar, Stuk I (Deel II, Boek X), fol. 390 kent ook den afloop dezer historie niet. Hij acht het waarschijnlijk, dat men in Amsterdam op de leden, die bezwaar maakten om den eed aan den Prins af te leggen, niet te veel pressie zal hebben uitgeoefend, „om dat het werk van de ppdragt, in Zeeland en in Utrecht, nog haperde." Fol. 391, (a) spreekt hij over een „geschreeven Lijst der Naamen deezer Beëedigden." Deze lijst schijnt niet meer op het archief aanwezig te zijn.

Sluiten