Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de confluentie van alle Natiën", weer op de oude sterkte van 150 man te brengen. Ze zouden worden aangevuld „met goede Uytheemsche Soldaten, ter Zee bedreven zynde", opdat tevens voorzien zou kunnen worden tegen mogelijke gevaren op de -Zuiderzee1). Het besluit schijnt echter niet te zijn uitgevoerd.

De toestand van Friesland was in dezen tijd zóó zorgwekkend, dat de „Gedeputeerden der Lande ende Steden van Vrieslandt, representerende de Staten van den selven Lande" militaire hulp verzochten tot bewaking van de kusten en havenplaatsen van hun gewest. De Staten van Holland waren bereid die hulp te verleenen, opdat de vijand „geen Sterckten op de Zee en bekome, ende sulcx hem daer door verstercke ende victuaillere," hetgeen ook voor hunne provincie slechte gevolgen zou kunnen hebben. Voorloopig zouden één vendel uit Amsterdam en een half vendel uit Enkhuizen naar Friesland gezonden worden ter versterking van de garnizoenen van Harlingen e.a.; ze zouden weldra door drie andere Hollandsche compagnieën, die daartoe uit Nijmegen teruggenomen zouden worden, worden vervangen. De Amstêrdamsche regeering stond — onder protestatie van nonprejuditie der Satisfactie — toe, dat het vendel van Rodenburgh naar Harlingen zou vertrekken2).

Het verblijf van Rodenburgh in Harlingen is alles behalve voorloopig geweest; reeds» 5 Augustus besloten de Staten aan Sonoy eene acte te zenden, waarbij aan Rodenburgh gelast werd niet uit zijne nieuwe garnizoensplaats te vertrekken „sonder voorgaende consent [van] ons ende haren Oversten Collonel." Na aan het gevaar van cassatie wegens fraude te zijn ontkomen, heeft Rodenburgh nog tot in 1583 in Harlingen verblijf gehouden3).

!) Res. St. v. Holl. 1580, bl. 110 en 111: 17 Juni.

2) Res. St. v. Holl. 1580, bl. 114: 22 Juni; bl. 160 en 161: 30 Juli en Res. Vr.No. 4, fol. 125: 1 Aug. 1580. — Bor, boek XV, fol. 216 spreekt verkeerdelijk van het vendel van Edenburch in Harlingen; op fol. 222 b staat echter weer terecht Rodenburch.

3) Res. St. v. Holl. 1580, bl. 165: 6 Aug. nam. — Over die voorgenomen cassatie: t. a. pl., bl. 214: 5 Oct.; over eene monstering, bl. 215: 6 Oct.

C. 9

Sluiten