Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vier vendels nog in Amsterdam in garnizoen blijven, opdat de stedelijke regeering orde zou kunnen stellen op de bewaking der stad, die in het vervolg aan haar burgers zou worden toevertrouwd. Na dien tijd zouden de Staten, „indien hem sulcxs alsdan goët dunct," drie van de vier vendels mogen afdanken en slechts één vendel van 150 man in de stad achterlaten. Zij zouden echter het recht behouden in tijden van nood het garnizoen uit te breiden met een of twee vendels soldaten „vanden ghenen die alsdan ih des lants dienst bevonden sullen worden" 2).

Het minimum-garnizoen zou dus van vierhonderd tot op 150 man verlaagd worden, terwijl alle verdere kosten en lasten der bewaking op de Amstêrdamsche burgerij zouden komen te drukken.

In zijn tweede uitspraak het de Prins zich maar weinig over de garnizoensquestie uit. Hij gaf alleen zijn voornemen te kennen „binnen deser stede ter eerster gelegentheyt ordre (te stellen) met twe vendelen knechten elck van hondertvyftich coppen onder twe capiteynen alsnu in dienst zynde." Op een Staatsch garnizoen van driehonderd man zou de stad dus in elk geval kunnen rekenen; meer had zij in de artikelen van 26 Maart 1580 zelf ook niet verlangd3). Dat Rodenburgh bepaaldelijk één der beide hopheden zou moeten zijn, had de Vroedschap evenmin bedongen, als dat alle soldaten Amstêrdamsche burgers zouden moeten zijn. De lust in den garnizoensdienst was toen blijkbaar onder de burgerij, die gemakkelijk op andere wijze haar brood kon verdienen, niet groot meer.

In zijn toelichtend schrijven dato 30 Juni 1580 kwam de Prins van Oranje nog aan eenige wenschen der Amstêrdamsche regeering tegemoet: zonder haar advies zou hij het gar-

r) Nml. aan de schutters?

2) Hiervoor, bl. 32.

3) In de stad bevonden zich toen drie vendels a 113 man; de werkelijke garnizoenssterkte zal toen wel niet meer dan driehonderd man bedragen hebben.

Sluiten