Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spoorden de inwoners aan, „dat een yegelick hen in zijn woonhuyse spyckers ende packhuysen (zou laten) vinden omme die te openen ende den commissarissen van alles behoirlijke onderrechtinghe vant gunt hen gevraecht (zou) werden te doen op dat nyemant schade gedaen en werde int taxeren" x). De commissarissen werden bijgestaan door het vroedschapslid Evert Corsz. Schos; deze bracht na voltooiing van het langdurige werk de kohieren, waarvan de stadsregeering duplo's behield2), naar den Haag aan de Staten3).

Het werk der taxateurs was ook in Amsterdam niet populair. 2 Maart 1580 werd door de Heeren van den Gerechte eene vrouw verhoord, beschuldigd de taxateurs te hebben uitgescholden en nageroepen. Zij had tegen hen gezegd: „Ist hier altyt te bruyen [= plagen], schatten [= belasting innen] ende scheren; wy hebben dus lange vuyt landich geweest menende als nu bevryt te wesen", en had hen met hetzelfde lot gedreigd, dat de taxateurs in Haarlem eh Hoorn getroffen had; „hebben de mannen geen moet de vrouwen zuilent [nml. het uit de stad jagen] wel doen met spinrockens." Bij haar gevankelijke wegvoering had zij getracht het pubhek eene dreigende houding te doen aannemen: een vleeschhouwer was zelfs de gerechtsdienaren gevolgd „met eenen bloten opsteecker inde hant" 4).

De bij de taxatie gemaakte onkosten waren vrij aanzienlijk; daarvan namen de Staten alleen tot hun last de betaling van de commissarissen. Deze zouden 2 £ per dag krijgen. Alle personen, die hen in het werk bijgestaan hadden, moesten

1) Willekeuren G, fol. 209 v°: 4 Jan. 1580.

2) Volgens resolutie van de Staten, dato 22 Oct. 1579. Res. St. v. Holl. 1579. bl. 248. — Rap. v. thes. 1580, fol. 190 v°.

3) Rap. v. thes. 1580, fol. 127 v°. De overlevering der kohieren wordt in de Staten-resoluties vermeld op 9 Maart 1580. Res. St. v. Holl. 1580, bL 31.

4) Confessieboek van 1578 tot 1586, fol. 114 v°—115 v°. De beschuldigde was de vrouw van een vleeschhouwer, Vitus Cornelisz., met wien het Gerecht in 1578 reeds een appeltje te schillen had gehad wegens zijn 'onwil om den vleeschaccijns te betalen. Sententieboek van 1578 tot 1595, fol. 1 en v°.

Sluiten