Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doleanten gehoord en de kohieren herzien zouden zijn1). Haar wensch werd pas in 1581 vervuld2).

Terwijl in Amsterdam nog niet eens overgegaan was tot de taxatie der perceelen ten behoeve van den honderdsten penning van 1579, werd in de Staten alweer gesproken over de noodzakelijkheid dezelfde contributie ook over 1580 te heffen3). De Amstêrdamsche regeering had daartegen in principe geen bezwaar, zelfs kon er volgens haar „egheen gelycker middel int eerst gevonden... werden", dat zooveel geld zou opbrengen. Zij wenschte, dat de belasting geheven zou worden „zoe wel van alle gaigen, offitien ende tractementen als van alle andere onroerende goederen". Waar het huizen betrof, wilde de stedelijke regeering niet weten van het Staten-voorstel om alle huizen, die minder dan f 10 jaarlijks aan huur deden, vrij van belasting te laten. Deze vrijstelling wilde zij slechts geven aan de godshuizen „van tgene zy zelffs bewoenen ende gebruycken", en verder aan perceelen, die geheel om godswil bewoond werden en in het geheel geen baten opleverden. Ingeval de perceelen beneden f 10 toch vrijgelaten zouden worden, wilde zij, „dat alle huysen binnen deser stede ende vryheyt vandyen tot 25 gulden jaerlixs ende daer beneden geldende mede geheel vry (zouden) zyn", daar anders bijna alle ambachtsheden en armen in Amsterdam belasting zouden moeten betalen, terwijl „alle alsulcke jae ambachsluyden van goeder qualite binnen Haerlem Leyde Goude, etc. geheel vry ende exempt zouden zijn" 4).

Deze vrijstelling bleef lang een punt van overweging uitmaken. Nog in Augustus 1580 besloot de Vroedschap er op aan te dringen, dat, ingeval de huizen van f 10 huur en minder vrij zouden zijn, in Amsterdam ook de perceelen tot f 20

1) Res. Vr. No. 4, fol. 120 en v°: 11 Aug. 1580.

2) Hierna, bl. 200.

3) Res. St. v. Holl. 1579, bl. 246—247 : 20 Oct.; bl. 314: 19 Dec.

4) Res.' Vr. No. 4, fol. 92 en v°: 12 Dec. 1579. Res. St. v. Holl. 1579. bl. 314 : 19 Dec.

Sluiten