Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZEVENDE HOOFDSTUK

DE QUESTIE VAN DE ACHTERSTALLIGE RENTE

(art. 19 van de Satisfactie)

In de Satisfactie was niets bepaald omtrent de groote sommen, die zoowel de stad Amsterdam als haar burgers aan achterstallige rente nog te vorderen hadden. Uit art. 19 het zich alleen afleiden, dat de Amstêrdamsche burgerij haar aanspraken tegenover eventueel reeds genomen of nog te nemen Staten-resoluties staande zou kunnen houden. We lezen daar immers: „dat mede den Burgers ende Inwoonders der voorsz. Stede ende vande Vryheydt van dien, soo GheesteHjcke als Waerlijcke, mitsgaders de Collegien, Cloosteren ende andere Gods-huysen aldaer sijnde, in conformite ende naer uytwijsen de Pacificatie, sullen moghen aenvaerden metter daedt ende behouden alle hare goederen in Hollandt ende Zeelandt ghelegen, so roerende als onroerende, actiën ende crediten, sonder dat van noode sal wesen daeromme te versoecken ende t'obtineren eenige vordere Ordonnantie in 't generael ofte particulier, niet teghenstaénde eenighe bevelen ter contrarien den ontfanghers van den confiscatien ofte anderen ghedaen, ofte als noch te doen, by wien dattet sy" x).

De achterstalhge rente werd onderscheiden in:

1. rente gehypothekeerd op het gemeene land van Holland,

2. rente gehypothekeerd op de domeinen, den tol van Geervliet en de beden.

Op een mij onbekenden datum hadden de Staten van Hol-

J) Handvesten I, bl. 46.

Sluiten