Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nemen, daar het hier „oude schulden" betrof — immers de Staten hadden de voor de rentebetaling bestemde bedragen voor de oorlogvoering gebruikt — verklaarde zij zich toch tot de betaling en de reductie en tot het verzegelen van de rentebrieven bereid, op voorwaarde, dat haar burgers evenals andere inwoners van Holland „van haere achterstalhge renten die voorleden dirloghe verschenen mede (zouden) werden betaelt ende gededuceert (= gereduceert)," met andere woorden: mits hunne aanspraken op de rente verschenen vóór St. Johannes 1576 werden erkend. Eene uitzondering wilde zij slechts toelaten voor de rente, toekomende aan vroegere Spaanschgezinde stedehjke magistraten; op deze zou desnoods art. 14 der Pacificatie mogen worden toegepast (art. 9 van het ontwerp van 17 November 1581)1).

Wat de achterstalhge rente betrof, die de Stad „aen die tholle van Gheervliet, domeynen, ende beden" en haar burgers „aenden domeijnen" „ten achteren" waren en welke verschenen was vóór en tijdens den oorlog, van deze werd — volgens de Amstêrdamsche regeering — ten onrechte door de Staten beweerd, dat zij haar „als geconfiskeerde goederen" ten behoeve van de oorlogvoering hadden aangewend. Eene gerechtehjke confiscatie dier rente had nooit plaats gehad-). Om nu een einde te maken aan de processen, die reeds door „die van Amsterdam" begonnen waren tegen den advocaatfiscaal, tegen „die vande Rekeninge" en tegen eenige rentmeesters3) en om nieuwe te vermijden, achtte de Amstêrdamsche regeering het gewenscht, dat aan de stad en aan haar burgers tot betaling van die achterstallige rente „zeeckere

!) Res. Vr. No. 4, fol. 186 en 187: 17 Nov. 1581. Hiervoor, bl. 98.

2) Opmerking verdient het, dat de Amstêrdamsche regeering in haar request aan den Prins van Oranje in 1578 beweerd had, dat de Staten de renten op het gemeene land als geconfisqueerd beschouwden, terwijl zij hier hetzelfde van de renten op de domeinen, e.d. vermeldt. Hiervoor, bl. 268. De, eerste opvatting werd ook gedeeld door Oldenbarnevelt; hiervoor, bl. 275.

3) De Amsterdammers hadden dus gebruik gemaakt van de hun bij herhaling door de Staten gegeven machtiging om zich langs gerechtelijken weg in het bezit hunner renten te stellen. Hiervoor, bl. 272.

Sluiten