Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontbrak, werd door de stadsregeering betaald: dat in afwijking van de algemeen-Hoüandsche regeling, dat eene stad, waar de middelen niet toereikend waren voor de predikantsbetaling, zich in verbinding moest stellen met Cornelis van Coolwijck, den ontvanger-generaal van het kantoor van Delft, die dan uit zijn kantoor het ontbrekende bijpaste. Amsterdam — tuk op zijne zelfstandigheid en zich in dezen beroepend op art. 19 der Satisfactie *) — heeft nooit kunnen besluiten aap Coolwijck opening van zaken te doen, hoeveel moeite deze zich ook gegeven heeft om de stad daartoe te bewegen2). De Amstêrdamsche regeering voelde ook in het algemeen niets voor het Geestelijk Kantoor; ze verweet aan de strenge centralisatie, dat er hier en daar predikanten onbetaald bleven3) en wilde binnen haar stad liever zelf het ontbrekende bijpassen dan in den roep van kwade betaling te geraken.

Uit de rekening van Coolwijck over 1579 (doch eerst veel later opgemaakt) leeren we, dat Burgemeester Baerdesen hem goede hoop gegeven had om zijn doel te bereiken, doch dat die verwachting ijdel gebleken was. „Naer veel achteraenlopens" was hem ten laatste bij monde van Bartholomeus van der Wiere geantwoord, dat hij zijne moeite wel sparen kon, „wandt die voorn: van Amstelredamnyetvanmeeninghe waeren te gedoeghen dat yemandt in heurluyder poth zoude commen kijken, maer zouden metten voornoemde incommen handelen naer haerluyder believen" 4).

Tot groote ergernis van Coolwijck vergrootte de stad deze inkomsten door in strijd met het gebod der Staten — sedert 1 October 1580 „alle de rantsoenen opt comptoir van den ontfangher van gemeene middelen derselver stede gevallen" in te houden, met uitzondering van „tgundt tot be-

1) Res. Vr. No. 4, fol. 62: 11 Juni 1579.

2) Res. St. v. Holl. 1579, bl. 93: 8 Mei.

8) Res. Vr. No. 4, fol. 182 v° en 183: 30 Oct. 1581.

4) W. van Beuningen: Het geestelijk Kantoor van Delft, bl. 61.

Sluiten