Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeven getuigen, van wie vijf bijzitters van Gauchon en twee officieren van het tribunaal waren.

Men heeft zich verwonderd, dat de Heilige Stoel meer dan twintig jaren gewacht heeft, voor hij een begin met het eerherstel van Jeanne maakte. Dit uitstel evenwel was noodig om vast te stellen, of de Maagd van Orleans een droomster, een speelbal van haar verbeelding dan wel een door God gezondene was geweest. De tijdgenooten zagen nu uit de feiten, dat alles verwezenlijkt was, wat Johanna voorzegd had. Dit was een sterk en schitterend bewijs voor Jeanne's goddelijke zending.

Nikolaas V, de toenmalige Paus, dacht er niet ernstig over om hel proces van 1431 te herzien. Doordat de eerste pogingen daarvoor van het Fransche Hof waren uitgegaan, was de politieke zijde van de zaak te openlijk naar voren gebracht en Rome had er belang bij om Engeland niet noodeloos te kwetsen.

Paus Galixtus III gaf in Juni 1455 zijn toestemming tot de revisie. Zoolang Normandië en zijn hoofdstad in de macht der Engelschen was, had men daaraan niet kunnen denken. Van de 144 getuigenissen waren er 55 Normandiërs.

Om het kanonieke proces van herstel voor te bereiden begón Kardinaal Willem d'Estouteville, Aartsbisschop van Rouen en legaat van den Paus, een officieel onderzoek, waarbij een 20-tal getuigen werden gehoord (Mei 1452). Tevens werden rechtsgeleerden geraadpleegd. Nu moest de Paus nog een rechtbank met de noodige volmachten benoemen. De moeder van Jeanne en haar beide broeders Petrus en Johannes richtten dienaangaande een verzoekschrift tot Galixtus III. Deze beschikte hierover gunstig. Den 11 Juni 1455 gaf een Pauselijk schrijven opdracht aan Johannes Jouvenel- des Ursins, Aartsbisschop van Reims, aan Willem Ghartier, Bisschop van Parijs, en aan Olivier de Longureil, Bisschop van Goutances, om het proces van Bouen te herzien en te onderzoeken, of de Maagd haar veroordeeling verdiend had en om „in hoogste instantie een vonnis volgens de rechtvaardigheid uit te spreken."

Den 7 November 1455 verschenen de moeder van Jeanne, Isabelle Bomée, in rouwkleederen gehuld, en haar beide zonen, vergezeld van talrijke vrienden, ter Notre-Darhe te Parijs voor de afgevaardigden van den Heiligen Stoel en verzochten, dat het geding zoude geopend worden. De afgevaardigden traden nu als rechters op, met den inquisiteur Jean Bréhal, in hoedanigheid van toegevoegd rechter. Alle maatregelen werdén genomen, opdat geen enkel voorschrift van een kanoniek rechtsgëding verwaarloosd werd en vooral, om de geheele waarheid te openbaren. Ernstige onderzoekingen werden gedaan en duurden voort tot de maand Mei 1456 in Barrois, te Orleans, Reims, Lyon en Parijs. Te Domremy, Vaucouleurs, Toul werden 34 getuigen gehoord; te Orleans 41; te Parijs

Sluiten