Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reeds te voren was geweest. Onder de schendingen van het recht, welke de Prelaat zich veroorloofde, moet men de weigering rangschikken om Johanna in een gevangenis van de Kerk te zetten, de weigering om haar bij het begin der ondervragingen een advocaatraadgever toe te staan, de bedriegelijke samenstelling der twaalf artikelen en de valsche afzwering, het valsche stuk-van het kerkhof van Saint-Ouen. Zooveel was er niet noodig, dat het proces met recht door het tribunaal van het herstel vernietigd, ongeldig verklaard en verworpen werd.

„Het proces van Rouen was in het wezen van de zaak en vóór alles een uitsluitend Engelsch proces en een proces van staatswraak.

Maar het was ook een Engelsch proces der Kerk, gelijk men er vroeger nooit een gezien had, noch later een gezien heeft: een valsch proces der Kerk met een rechtbank zonder rechtsmacht; een valsch proces der Kerk, waarvan de rechters, door Engeland omgekocht, volgens bevel hebben geoordeeld en waarvan zij gemaakt hebben, onder het opzicht van het natuurrecht, een afschuwelijk proces en onder het opzicht van het

Kerkelijk recht een volstrekt waardeloos proces." O

Ziehier het deel, dat de Kerk aan het proces genomen heeft: vijf en twintig jaren later, toen de zaak bekend geworden en Frankrijk van de Engelschen bevrijd was, beval Paus Gallixtus III een onderzoek en ging er toe over om Johanna in haar eer le herstellen.

„Schoon door dit proces der Inquisitie," zegt de Paus, „de rechters niet de wettelijke zekerheid verkregen hadden, dat Johanna zich had plichtig gemaakt — zij konden ze ook niet verkrijgen — schoon bovengenoemde Johanna gevraagd had, dat men het onderzoek aan den Heiligen Stoel zoude opdragen spraken zij een

definitief en onrechtvaardig vonnis uit, bij deze gelegenheid gebruik makend van een ongeldige rechtspraak."

Dat is het ware oordeel van de Kerk. Derhalve wekken de geschiedboeken, die zonder eenige nadere verklaring zeggen, dat Johanna door een Kerkelijke rechtbank werd geoordeeld, en vooral die geschiekboekén, welke verzekeren, dat zij weigerde zich aan den Paus te onderwerpen, den volstrekt, valschen indruk, dat de ergerlijke verantwoordelijkheid der veroordeeling van Johanna op de Kerk rust. Om dien indruk nog meer te versterken zorgen eenige van hen er voor, dat zij in de afbeelding, welke den marteldood van Johanna voorstelt, den bisschop, die bij de terechtstelling tegenwoordig was, doen uitkomen; zij weten waarschijnlijk niet, dat de wettelijke rechters geen recht hadden om de uitvoering der vonnissen, welke zij bevalen, bij te wonen en dat, toen de

C) Ph. Dunand, Jeanne d'Arc et VEglise, Paris i908, 78.

Sluiten