Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een van haar partij, die door de Engelschen gevangen gehouden werd. Maar deze persoon stierf in de gevangenis. In het verhoor werd Johanna aangaande Franquet ondervraagd. Zij zeide, dat hij terécht gesteld was, omdat hij volgens zijn eigen bekentenis een moordenaar en een roover was en dat zijn proces vijftien dagen geduurd had. Na de opmerking van den rechter (den schout van Seulis), dat zij door Franquët te bevrijden een groote onrechtvaardigheid zou begaan, had zij het gerecht zijn loop laten gaan. (') Jeanne had geen enkele reden Franquet onder zich te houden. O

Weliswaar geeft de kronijk van Monstrelet aan Johanna de schuld. O Maar dit is het getuigenis van een vijand. „Son témoignage sur elle rcspire d'un bont a 1'antre la prévention d'un ennemi." (')

6". Is Jeanne niet schuldig bevonden aan losbandigheid1!

„Jeanne, de Maagd van Orleans, een voorbeeld van ingetogenheid en ongeveinsde kuiscbheid. Ook deze intiemere kant van haar leven en karakter is in het eerste proces te Rouaan tot in de kleinste bijzonderheden nageplozen en allerhande lasterpraatjes zijn gretig verzameld. Het opschrift aan de paal op den brandstapel vermeldde uitdrukkelijk, dat Jeanne o.a. schuldig was bevonden aan „losbandigheid"; maar deze verklaring van haar rechters heeft evenveel waarde als de overige conclusies uit hun vonnis en kon evengoed afkomstig zijn van de Engelsche soldaten, die Jeanne nooit anders genoemd en aangesproken hebben dan als „de heks of de hoer der Armagnacs."

Jeanne was kuisen en is als maagd gestorven, maar zij was een kind van haar tijd en was afkomstig van het platteland, m.a.w. Jeanne wist van hetgeen er destijds in de wereld te koop was, alles wal een boerenmeisje van haar leeftijd wel weten moest, omdat de natuur en het leven zelf het haar geleerd en er haar vertrouwelijk mede hadden gemaakt.

Wij moeten dit goed voor oogen houden. Het bepaalt voor ons dé waarde, die wij hechten kunnen aan de belofte, die Jeanne reeds op dertienjarigen leeftijd aan hare Heiligen doet, „dat zij maagd zal blijven, zoolang het God behaagt," en het houdt bovendien voor ons een verklaring in voor den hardnekkigen en verwoeden strijd, door Jeanne aangebonden en tot het einde toe gevoerd tegen de gewoonte, dat vrouwen van lichte zeden medetrekken in den tros van de legers —

Telkens weer, als wij denken aan den smaad en de ellende, het arme schepseltje in de dagen van haar gevangen' schap door haar vijanden aangedaan, hooren wij den wanhoopskreet, waarmee zij ineenzinkt, als zij vernomen heeft, dat zij den volgenden dag op den brandstapel moet sterven: „Mijn lichaam, dat ik tot het einde toe rein en ongerept heb

(l) Quicherat, I, 158, 264.

(') Stimmen aus Maria-Laach, 1888,1,157. — K. J. Derks, 1. c. p. 73 C) Quicherat, IV, 400. O Quicherat, IV, 360.

Sluiten