Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

roeren van het oogenblik af, dat Jeanne is overgeleverd in handen van de Kerk; zij zijn bang. Haar geestelijke rechters talmden maanden lang en dat in een tijd, dat men werkelijk zooveel ombaal niet maakte om een ketter naar den brandstapel te verwijzen. Cauchon zoekt medeplichtigen in de Inquisitie en de Parijsche Universiteit, wie hij een deel van de medeverantwoordelijkheid op de schouders laadt. Cauchon en heel de geestelijke rechterschaar zijn bang. En dan hare doodsvijanden, de Engelschen. Ze razen, ze tieren, omdat zij niet verstaan en begrijpen, wat er gebeurt. Ze jachten, ze dringen op spoed aan, ze zijn niet gerust, voor het einde daar is; en dan nog zoeken zij de overblijfselen van haar slachtoffer bijeen en laten ze door den wind verstuiven over hel water van de Seine, want ze zijn bang.

„Jeanne heeft velen geïmponeerd door haar uiterlijke verschijning, hare woorden en daden, en dit is iets, dat kleine zielen een medemensch dikwijls niet vergeven. Maar hen, die haar zagen in haar laatste oogenblikken, moet zij bovenal' diep getroffen hebben door haar innige vroomheid, haar' verheven gelatenheid, haar waarachtige grootheid. Zij moeten, toen Jeanne was heengegaan, het gevoel gehad hebben, dat de Hoofdman over honderd en hen, die met hem waren op G-olgotha, na Jezus" verscheiden bezielde: Ende ziende de dingen, die g&chied vjaren, werden zij zeer bevreesd, zeggende: , Waarlijk Deze was Gods Zoonl" (*)

0) H. E.. Koopmans van Boekeren, Jeanne d'Arc, 1916, p. 175—176

Sluiten