Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN EENEN ROOVER.

Wie is de roover, die mij stal rondsluipende bij nachte,

dat ik mij in zijn armen vond, voor oogen openbloeiden,

en schoon hij pijnde en kwelde mij, hem toch mijn herte wegschonk?

Hij dreef den spot met mij, hij zei 'dat ik zijn zoetelief was

en stal met wonderzoet geweld mij, die was blij bewogen.

Hij snoerde en ontvoerde mij langs nauwe, duis'tre wegen,

langs distels en door doornenbosch, dat diep ik in mijn lichaam

de scherpe stekels voelde en 'k zag, hoe zijne zonne-oogen

fel staarden, brandend naar de vert, naar wijden'vert vol sterren

en deed of hij geheel op mij niet lette bij 't ontvoeren.

Sluiten