Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo zijn wij met ons verslag tot aan den tegenwoordigen tijd genaderd, die ons een menigte verhandelingen brengt, waarin nieuwe geslachten en soorten beschreven worden uit ver uiteenliggende streken. Het kan intusschen hier niet de plaats wezen, om een overzicht van al deze vormen te geven, waar nieuwe gezichtspunten voor de systematiek niet geopend worden. Slechts onderzoekingen, die ons weer een anderen kijk op de feiten geven, mogen hier een plaats vinden. Als zoodanig komen de belangrijke beschouwingen van Richters in de eerste plaats in aanmerking. Aan dezen verdienstelijken, onvermoeiden werker danken wij de kennismaking met nieuwe, vreemde geslachten uit het zeewater. En daarbij heeft hij weer andere systematische factoren in het vuur gebracht, die op onze besluiten van invloed kunnen zijn. „Mit Auffindung jeder neuen marinen Gattung wachst die Wahrscheinlichkeit, dass die Tardigraden nicht von luftatmenden Arthropoden, sondern von marinen Ahnen abstammen". Richters houdt de klauwtjes der Tardigraden voor gemodificeerde Annelidenborstels, en daarmee gelooft hij ook het zoo verschillend aantal (van 1 tot 9) te kunnen verklaren. Tevens wijst hij erop, dat soortgelijke cirren als bij Tardigraden eveneens onder de Anneliden niet ongewoon zijn. En nadat hij nog het strottenhoofd met dat der Nematoden heeft vergeleken, vernemen wij als systematisch eindresultaat: „Auf alle Falie, meine ich, haben wir volle Veranlassung, die Tardigraden nicht mehr zu den Arthropoden zu zahlen, sondern sie, unter Anerkennung gewisser Anklange an die Nematoden, die als Reminiszenzen an gemeinsame Stammformen gelten dürfen, als nachste Verwandte der Anneliden aufzufassen".

Om tot een juiste beoordeeling te geraken van de naaste verwanten eener groep, moet men zoowel van de Anatomie als van de ontwikkeling goed op de hoogte zijn.

Wat de kennis van den inwendigen bouw betreft mogen wij tevreden zijn. Reeds de eerste arbeid van Dotère (1840) staat op een hoog peil, en pas in latere jaren zijn enkele minder juiste waarnemingen uit zijn tijd verbeterd. Plate (1889) leert ons, dat er mannetjes en wijfjes bestaan, en dat Tardigraden dus geen tweeslachtige dieren zijn, zooals men tot dusverre gemeend had. En Basse (1905) en Henneke (1911) hebben het ontbrekende aangevuld en met behulp van een zeer ontwikkelde techniek van kleuren en snijden geven zij alles wat men ook op histologisch gebied verlangen kan.

Wat ontwikkeling en levensgeschiedenis aangaat staan wij er niet zoo goed voor. Wel kent men de grootte der eieren, wel heeft men de totale klieving tot aan het morula-stadium waargenomen, wel weten wij ten slotte, dat van een metamorphose niets te zien is, en dat de uit het ei gekropen jongen reeds volmaakt op hunne ouders gelijken, maar de ontwikkeling der vier pootparen en die van de inwendige deelen is niet voldoende bekend, en dit is aanleiding voor verschillende opvattingen, die aan juiste verklaring groote behoefte hebben.

Uit de biologie dezer groep werden enkele merkwaardige feiten beschreven, die ons naar veel meer doen verlangen, omdat de verklaring achterwege moest blijven. Zoo is men het nog niet eens over den aard van het voedsel der Tardigraden. Want terwijl de eene onderzoeker hen voor zachtzinnige wezens houdt, die met de mikroskopische tandjes cellen aanboren van het mossig substratum, en zij volgens deze opvatting zich met plantensappen den darm vullen, houdt de andere hen voor roofdieren, die zich met Rotiferen voeden en zelfs kleine Nematoden aanvallen en uitzuigen.

In de volgende regelen wensch ik alles wat wij van de Tardigraden weten aan de gegevens te toetsen, die wij over Wormen en Gelede Dieren bezitten, ten einde aldus een grondslag voor verdere vergelijkingen te verkrijgen.

Vangen wij bij het integument aan. Een zeer eenvoudige matrix, eene hypodermis, die uit een enkele laag van groote rechthoekige cellen bestaat, scheidt aan de buitenoppervlakte de chitineuse cuticula af. Overal vindt men ringen of anders gevormde hoekige stukken, waarin de huid verdeeld is, maar waarbij tevens geen sprake schijnt van eenig verband met inwendige segmentatie. En ofschoon aan de pootstompjes dunnere en dikkere plekken in de chitine aan te wijzen zijn, toch mag men niet van normale geledingen spreken. De klauwtjes

Sluiten