Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vermogen, om een harden cocon, gelijk zij er een vervaardigen, hetzij door eene kopspits, hetzij door middel van eene verweekënde vloeistof met daarna aangewenden druk te openen. De vlinder, die zich uit de rups, welke den gesloten cocon spon, ontwikkelde, Was dus genoodzaakt, om in den cocon te blijven en daarin te sterven. Zoo is het ook inderdaad geschied. Dë vlinder, een mannetje, heeft de pophuid aan het kopeinde doorbroken, doch heeft het niet verder kunnen brengen en is aldus gestorven, gelijk later bleek, toen de cocon werd opengeknipt.

De merkwaardige afwijking in het gedrag der rups is dus hier voor de imago hoogst verderfelijk geworden, terwijl overerving op zijne nakomelingschap uit den aard der afwijking zelf uitgesloten was, omdat het dier ten eenenmale verhinderd was, zijne vrijheid te erlangen en zijn geslacht voort te planten.

Waar wij nu, en dit acht ik van veel belang, twee juist tegenovergestelde gevallen met elkander kunnen vergelijken, is daaruit allicht iets meer met eenige waarschijnlijkheid af te leiden, dan wanneer slechts over één van beide beschikt weid.

Uitgaande van den bij vele soorten normaal aan te treffen, meer oorspronkelijken, rondom gesloten cocon, zou men kunnen veronderstellen, dat cle afwijking bij Satumia pyri zou zijn op te vatten als door atavisme ontstaan. De rups zou dan op voorouderlijke wijze gearbeid hebben. Wil men dezelfde redeneering nu toepassen op den cocon van Satumia pavonia met twee openingen, dan komt men tot eene onbevredigende conclusie. Men kan toch moeilijk aannemen, dat het bezit van twee uitgangen een „vooruitgang" zou zijn, eene specialiseering, passend in normale evolutie. Ik meen dus, dat men den cocon met twee uitgangen moet beschouwen als abnormaal, en wel in dien zin, dat de rups tweemaal een kopwaarts gericht gedeelte (voorhelft), elk dus met één uitgang, vervaardigd heeft, in plaats van een open voor- en een gesloten achterhelft. Doch dan is er ook geen bezwaar, om bij den cocon van Satumia pyri het tegenovergestelde aan te nemen en dezen te beschouwen als gevormd uit twee staartwaarts gerichte gedeelten (achterhelften). In dat geval zou het dus geen atavisme zijn.

Hoe de rupsen er toe gekomen zijn, zich zoo abnormaal te gedragen, blijft natuurlijk een open vraag. De omstandigheid, dat ik over de beide tegenovergestelde gevallen beschikte, deed het mij wenschelijk voorkomen, een en ander eenigszins uitvoerig te beschrijven.

Sluiten