Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan vogelgeluiden, terwijl stadsmerels niet ongevoelig zijn voor de prestaties van straatjongens, straatorgels en kerkmuziek. Hun geval sluit direct aan bij de opzettelijke zangoefeningen, die culmineeren in den Duitscben schoenmaker en zijn goudvinken, maar die hier buiten beschouwing blijven. In ieder geval speelt het nabootsingsinstinct een zeer groote rol bij de ontwikkeling van den vogelzang. Een bedoeling heeft het niet. Nog altijd ontmoet men de bewering, dat de grauwe klauwier kleine zangertjes tot zich zou lokken, door hun zang na te bootsen, om ze dan te bemachtigen.' 't Is niet onmogelijk, dat zoo iets een enkele maal is gebeurd, maar wanneer we den klauwier aantreffen, nabootsende wulp, griel of zilvermeeuw, dan liggen dergelijke bedoelingen toch zeker heel ver. Zeer belangwekkend blijft evenwel de vraag, in hoeverre de nabootsing van natuurgeluiden den vogelzang heeft verrijkt: het ruischen van de branding en van den waterval, het neertinkelen van dikke onweersdroppels op het spiegelgladde meer, het knersen en piepen van langs elkaar schurende boomstammen, het stadig ritselen van het dorre rietblad in den strakken noordooster. Er zijn wel vogelgeluiden, die daarmee overeenstemmen of harmonieeren, maar wij moeten met de grondslagen der vogelzang-studie nog veel verder zijn, eer wij in dezen tot een definitief oordeel kunnen geraken. De weg er heen is echter een der aangenaamste, die een bioloog kan bewandelen.

Bloemenclaal, 28 November 1918.

Sluiten