Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze zeer kennelijke kleurlooze soort is door mij in Augustus regelmatig, doch altijd sporadisch, in de Langweerder Wielen aangetroffen, meestal in gezelschap van de voorafgaande. Het uitwendig voorkomen mijner exemplaren beantwoordde bijna geheel aan de door Schilling gegeven beschrijving; alleen waren zijn exemplaren grooter en ook iets langer dan breed n.1. 34 ju bij 33 ju, dus minder gedrongen dan de Langweerder vorm.

(Een tweede kleurlooze Glenodinium-soort, kleiner en ronder, dan de voorafgaande n.1. 22 bij 22 fi, wier beide helften halfbolvormig en even groot waren, is in het voorjaar talrijk in het centrifuge-plankton van het Abcouder Meer. Zij voedt zich daar bijna uitsluitend met de in het voorjaar eveneens zeer talrijke Chrysomonadine Chrysococcus rufescens Klebs. Zij heeft in vele opzichten gelijkenis met Gl puhisculus (Ehrenb.) Stein, doch cle laatste bezit bleekgele chromatoforen, terwijl die kleine Glenodinium van Abcoude, zooals gezegd, kleurloos is. Of wij hier een nieuwe soort voor ons hebben dan wel een nog kleineren vorm van Gl. edax kan eerst door een voortgezet onderzoek worden uitgemaakt).

5. Gl. cinctum (Muller) Ehrb.

Tnfusionsth., blz. 257, taf. XXII, üg. 22.

Lichaam bijna bolvormig, dorsoventraal iets afgeplat. Apikale gedeelte halfbolvormig, nagenoeg even groot als het meer kegelvormige antapikale gedeelte. Dwarsgroeve zwak linkswindend, overlangsche groeve diep, tot ver naar achteren loopend, niet op het apikale gedeelte. Chromatoforen helder bruingeel, kern centraal gelegen, stigma rood, eenigszins hoefijzervormig.

Lengte: 30 tot 33 ju, breedte: 28—30 ju.

Vindplaatsen: Langweerder Wielen, Tjeukemeer.

De exemplaren van deze soort, die ik tot dusver in onze wateren heb aangetroffen, waren alle kleiner dan gewoonlijk wordt opgegeven (lengte 43—45 fi), terwijl ook de oogvlek minder duidelijk hoefijzervormig was, dan zij veelal wordt afgebeeld. Toch twijfel ik er niet aan, of zij behooren tot deze soort, die een zoo kennelijke gedaante heeft en zich van Gl. puhisculus, waarop zij oveiigens sterk gelijkt, door het bezit van een fraai robijnrood stigma onderscheidt. Bij de door Ehrenberg afgebeelde exemplaren, die ook in latere monographien (zoo bij Lemmermann 4, blz. 580) zijn gereproduceerd, is het stigma groot en ruw hoefijzervormig. Bij mijn exemplaren was het stigma naar verhouding kleiner en nooit duidelijk hoefijzervormig, wel vaak onregelmatig of rondachtig. Overigens ontbreekt het stigma bij de door Pénard afgebeelde Gl. cinctum geheel, ook in zijn beschrijving maakt hij er geen melding van.

Nog in een ander opzicht wijken mijn exemplaren eenigszins af zoowel van die van Ehrenberg als van Pénard. De vorm is zooals de laatste die beschrijft: „turbiforme, faiblement mais regulièrement arqué en ogive a la partie antérieure, creusé un contraire a Textrémité postérieure d'une dépression médiane a peine sensible (quelquefois nulle)'1 maar deze „dópression" is bij sommige der Langweerder exemplaren zóó diep, dat de antapex duidelijk naar binnen gebogen is.

Deze soort schijnt wel heel variabel te zijn, zoowel wat grootte als inwendigen bouw aangaat. Lemmermann (1. c.) is er dan ook toe overgegaan een drietal vormen, die door Stein, Bergh en Dangeard als Gl. cinctum beschreven zijn als zelfstandige soorten te beschouwen, waaraan hij de namen Gl. Steinii, Gl. Berghii resp. Gl. Dangeardii heeft gegeven. In hoever dit gerechtvaardigd is, kan eerst door voortgezet onderzoek aan een grooter materiaal van verschillende vindplaatsen worden uitgemaakt.

6. Gl. gymnodinium Pénard.

Péridiniacées, blz. 54, pl. IV, figg. 8—10.

Lichaam van voren gezien rondachtig, van terzijde gezien eenigszins spoelvormig, aan

Sluiten