Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Peridiniurn aciculiferum Lemm. var. abcoudense nov. var.

Fig. 3. Een individu van de rugzijde gezien. — Fig. 4. Een ander individu van de buikzijde en eenigszins van links gezien. — Vergr. 780.

alleen in het Zwanenwater gevonden. Zij is gemakkelijk te herkennen aan de door een fijne dwarsnaad verdeelde overlangsche groeve en bereikt volgens Lemmermann (4) het maximum harer ontwikkeling in het koude jaargetijde.

9. P. aciculiferum Lemm. var. abcoudense nov. var.

Lichaam ei-bolvormig, in dwarsdoorsnede bijna rond, met duidelijken apex. Apikale helft

bol-kegelvormig, iets toegespitst, antapikale helft koepelvormig mit twee stekeltjes, waarvan het eene op den antapex, het andete rechts daarvan zit. Het pantser van de voorste lichaamshelft bestaat uit 13 platen, n.1. 7 prae-aequatoriale, 1 ruitvormige en 5 apikale, het pantser der achterste lichaamshelft met 7 platen (het gewone aantal) n.1. 5 post-aequatoriale en 2 ongeveer even groote antapikale. üe platen zijn glad, de ribben smal en aan levende exemplaren moeilijk te zien. Dwarsgroeve breed, linkswindend, overlangsche groeve naar achteren ver doorloopend en verbreed zonder dwarsnaad, slechts even op de voorste lichaamshelft beginnend.

fiagellenspleet bijzonder duidelijk. Chromatoforen groot, langwerpig, helder-bruingeel, kern centraal, geen stigma. — Figuur 3 en 4. Lengte: 45 breedte: 33 /u.

Vindplaats: Abcouder Meer. Net- en centrifuge-plankton.

Deze fraaie en levendig gekleurde Peridiniurn vond ik in de maanden Maart en April vrij talrijk in het Abcouder Meer, later in het jaar slechts sporadisch. Hij behoort derhalve tot de voorjaarsvormen.

De gedaante en rangschikking der pantserplaten vertoont een zoo groote overeenkomst met die van P. aciculiferum Lemm. dat er niet aan valt te twijfelen, of wij hebben hier met een variëteit van deze soort te doen, die in sommige kenmerken, voor zoover ik heb kunnen nagaan regelmatig, afwijkt van Lemmermann's soort. De verschillen zijn de volgende: terwijl bij P. aciculiferum de overlangsche groeve door een fijne dwarsnaad in twee helften is verdeeld, ontbreekt deze naad bij var. abcoudense. Vervolgens komen bij de soort 3 lijstvormige dorentjes aan het antapikale uiteinde voor, terwijl ik bij de nieuwe var. er nooit meer dan twee heb gevonden. Eindelijk vormen de hoekpunten der ribben aan den apex een sierlijk tuitje, dat eenigszins aan een schoorsteentje doet denken, doch bij de oorspronkelijke soort niet of niet in die mate tot ontwikkeling komt. Ook de omstandigheid, dat ik deze var. alleen in de maanden Maart en April in eenigszins grootere hoeveelheden aantrof, pleit voor de nauwe verwantschap met P. aciculiferum, die ook als een voorjaarsvorm bekend staat (cf. Ostenfeld 5, blz. 391).

10. P. laeve Huitfeldt-Kaas.

Krist. Vid. Selsk. Skr. I. Math. nat. KI. 1900, 2, figg. 1—5.

Lichaam eivormig. Apikale helft spitser en iets grooter dan de nagenoeg half-bolvormige antapikale helft. Het pantser van de voorste lichaamshelft bestaat uit 13 platen, n.1. 7 ongeveer even breede prae-aequatoriale, een kleine ruitvormige en 5 apikale platen, waarvan de op den top liggende bijna vierkant is, het pantser der achterste helft uit het gewone aantal: 7. De platen zijn glad, doch op de hoeken der polaire platen komen kleine stekeltjes voor. De dwarsgroeve is breed en sterk linkswindend, de overlangsche groeve begint even op de voorste lichaamshelft en loopt op de achterste, sterk verbreed met onregelmatige, bochtige randen ver naar achteren, bijna tot aan den antapex.

Lengte: 46 /u, breedte: 40 /u.

Vindplaats: Zwanenwater bij Callantsoog. Netplankton, in Maart, veelvuldig.

Sluiten