Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verkregen, wat echter in verband kon. staan met 't feit, dat het 9, door gedurig regenweer tijdens de broedperiode 1916 te veel aan 't nest gebonden, blijkbaar zeer verzwakt en door rheumatiek bevangen werd.

Uit herhaaldelijk en pertinent weigeren der vogels om binnenshuis te broeden blijkt dat — hoezeer ze ook overigens met hun nachthok vertrouwd waren — toch in zake de keuze eener broedplaats „de natuur bij hen boven de leer ging", de verworven associaties ten opzichte van het nachthok niet bij machte waren het broedinstinct — voor zooverre in betrekking tot een leven onder den blooten hemel, — te wijzigen.

Merkwaardig ook het feit, dat telkenjare de cf des avonds bij het opsluiten steevast 9 en jongen vóór laat gaan, terwijl omgekeerd des morgens bij het naar buiten laten deivogels de cf altijd het eerst het perk instapt, 9 en jongen achter zich aan latende komen. Vermoedelijk geleid door de ervaring dat binnen niets te duchten valt, terwijl buiten met betrekking tot de buren een oogje in 't zeil moet worden gehouden.

Opmerkenswaard dunkt ons ook nog het volgende gebeuren:

Toen op 14 Sept. 1917 — dus geruimen tijd na den broedtijd — een in 1916 geboren paar Pseudogeranus leucauchen geplaatst werd naast een bejaarde Antigone antigone — welke vogel sedert 1904 hier als volwassen exemplaar aanwezig was en nimmer van eenige lust tot broeden had blijkgegeven — legde deze vogel op eens vaderlijke of moederlijke neigingen aan den dag. Niet alleen dat de oude heer (of matrone) voortdurend langs het hek de naast loopende jonge leucauchen lokkend volgde, en hen door de tralies voedsel bracht, maar ook liet deze Antigone —• hoewel de broedtijd lang voorbij was — zich op den aanblik der naburige eenjarige vogels nog verleiden tot het maken op eigen terrein van een soort nest met behulp van uit het nachthok bijeengezochte turfmolm en veertjes. Behalve van suxueele instincten zou hier wellicht ook sprake kunnen zijn van eene primitieve verbeeldingskracht, van een „willekeurige fantazie-werking": het simuleeren, buiten alle broedtijd en gepaard zijn om, van ouderzorgen, gevolgd door den toch min of meer gefingeerden aanleg van een nest. Waarbij nog valt op te merken, dat een tweede eveneens bejaarde Antigone, waarmede voornoemde vogel sedert 1904 in volle vrede en vriendschap had geleefd, van nu af aan werd verstooten. Of zich hierin „de gevolgen van kinderloos gebleven huwelijk" openbaarden, dan wel of het plotseling ophouden der goede verstandhouding te wijten viel aan naijver, wellicht ook aan afgeleefdheid van den ouden perkgenoot konden niet met zekerheid worden vastgesteld.

Catharista atrata. Bartr. «

Van een paar 23 Juni 1901 ingekomen Zwarte Gieren werd van 1904 af telkens om het jaar, van 1910 af echter jaarlijks een broedsel verkregen, totdat in 1914 het 9 kwam te sterven. Wellicht wordt ook in de natuur door jongere paren niet geregeld jaarlijks gebroed.

Soms reeds aanvang Mei, de meeste jaren echter eerst omstreeks de laatste helft dier maand of de eerste helft van Juni, zagen wij van cf en 9 een soortgelijke „trekkebekkende" vrijage, als hier ook van een jong paar Condors kon worden waargenomen.

Als broedtijd mag Mei—Juni worden opgegeven. Het legsel bestaat uit 2 eieren; rondeivormig, 75 x 50 m.m., van licht-gele, min of meer naar groen of grauw zweemende grondkleur, bruin en rossig-grijs gevlekt, en vrijwel glansloos en korrelig van schaaloppervlakte.

We vonden de eieren altijd op den zandvloer van 't nachthok, en wel op eene zoo donker mogelijke plaats. Veelal verrolden de vogels hun le ei naar een betere plek, waar dan bijgelegd en gebroed werd, meesttijds achter een opengezette deur, zijnde daar de meest donkere gelegenheid. Van nestbouw werd nimmer iets bespeurd.

Deze bij herhaling waargenomen feiten, mede in verband met het verschijnsel dat de pasgeboren kuikens terstond bij vreemde nadering beginnen te blazen, wekte bij mij het vermoeden dat Catharista een hol-broeder is, 't zij dan dat het legsel in boomholten of wel op den grond tusschen boom-wortels of in ravijn-spleten wordt uitgebroed.

Het reflectorisch blazen der pasgeboren jongen toch mag, zoo goed als het bekende

Sluiten