Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Roti/er spp.

Rondom Amsterdam: verschillende soorten van dit pedonische geslacht werden nu en dan in zomer- en najaarsplankton van het Spaarne aangetroffen.

In Amsterdam: Roti/er vulgaris Schrk., in winter en voorjaar in I en waarschijnlijk ook elders (zie opmerking blz. 154).

Pedalion fennicum Lev.

K. M. Levander, Eine neue Pedalion-Art. In: Zoölogische Anzeiger, XV, 1892, p. 402—404.

t Zusatz zu meiner Mittheilung über Pedalion fennicum. In: Zoölogische Anzeiger, XVI,

1894, p. 26—27.

. , Beitrage zur Kenntnis der Pedalion-Arten, mit einer Tafel, p. 1—33. In: Aeta Soc, pro

fauna et flora fennica, 1895. C. T. Hudson, On Pedalion mira. In: The Quarterly Journal of microscopical science, Vol. XII,

1872, N. Ser., p. 333-338, Taf. XIX. C. T. Hudson und P. H. Gosse, The Rotifera. Vol. II, 1889, p. 131—133, Taf. XXX, fig. 1. Eüg. v. Daday, Morphologisch-physiologische Beitrage zur Kenntnis der Hexarthra polyptera

Schm. In:' Természetrajzi Füzetek, Budapest (= Natural History Magazine, Hungarian

Nat. Museum) Vol. X, p. 214-249. Taf. VIII, IX. P. de Beaüchajip, Seconde liste de Rotifères observés en France. In: Bulletin de la Société

Zoologique de France, Vol. 31, 1906, p. 148. Niet genoemd in Brauer Süsswasserfauna, Heft 14, 1912.

Dit zéér eigenaardige, echt pelagische raderdier moet stellig beschouwd worden als een zeldzaamheid. Het wijkt van Pedalion mirum Huds., die zeer verspreid is en ook in ons land op verscheidene plaatsen in zoetwater voorkomt, af door het ontbreken van de beide dorsale uitsteeksels op het achterlijf en door zijn voorliefde voor brakwater. Levander (1892, p. 402) geeft wel bepaaldelijk op, dat het water, waarin in grooten getale deze door hem als nieuw gevonden soort voorkwam, zoet is, maar de ligging van het kleine poeltje 1 Meter boven den zeespiegel en 10 Meter van de kust in een kale granietrots, maakt het niet onmogelijk, dat al was het water op het oogenblik, dat Levander erin niet zout, het toch brakker dagen gekend had. Het water van de Finsche golf heeft op die hoogte een zoutgehalte van 6—7°/00. Beauchamp geeft deze soort op in een lijst van marine- of brakwatersoorten vooreen poeltje de La Nouvelle in Aude in Zuid Frankrijk aan de golf van Lion.

Rondom Amsterdam: zeldzaam. Tot dusverre alleen gevonden in Zijkanaal 0 van het Noordzeekanaal (Februari 1915), in het Spoorwegbassin te Helder (Mei 1917) en in het Alkmaarder Meer (April 1918). Brakwater-dier.

In Amsterdam: het eerst gevonden 22 Mei 1916 in de Zuiderzee vlak voor de uitmonding van de Syphonkokers bij Zeeburg (Cl. geh. 3.9 gr. p. L.), wijfjes met één ei, sommige met 4 eieren; 31 Mei 1918 in de Funenkade enkele 92, dienzelfden dag in de Stadhouderskade en in den Binnen-Amstel bij de Munt enkele exemplaren, sommige met één ei.

De door mij en door Mej. nti Lint gevonden exemplaren wijken alle eenigszins af van de uitvoerige beschrijving van Levander en van diens teekening (Acta Soc. pro fauna et flora fennica, 1895, fig. 2 en 3). Daar teekent en beschrijft hij de beide laterale extremiteiten; de dorsale heeft 7, de ventrale 8 'borstels. Op blz. 14 zegt hij: „Bei P. fennicum ist „der ventrale Seitenanhang mit acht Borsten versehen (3 + 3 Seitlichen und 2 an der Spitse), „der dorsale dagegen mit nur sieben. Die Zahlen scheinen ziemlich constant zu sein". Bij de exemplaren uit de stadsgrachten en uit de Zuiderzee vind ik zonder uitzondering aan de ventrale en aan de' dorsale extremiteiten elk zes borstels; en ook de exemplaren uit het spoorwegbassin in den Helder, die ik gelegenheid had te onderzoeken, hebben alle 6 borstels. De grootte van het dier komt overeen met Levander's maten, die voor 't wijfje opgeeft 0,23 mM.; de Amsterdamsche exemplaren hebben "precies dezelfde grootte; enkele exemplaren uit den Helder 0,243 mM. — Bij wijfjes, die één ei droegen, vond ik de grootte daarvan

Sluiten