Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Beschouwingen over de Fauna van Nederland

door

MAX WEBER.

Een aantal maanden geleden vergastte Dr. C. Kerbert de lezers der „Levende Natuur op „Faunlstische Aanteekeningen", die in boeienden vorm van zoologische vondsten uit de omstreken van Amsterdam vertelden, zooals vervlogen dagen ze opleverden.

Die faunistische aanteekeningen" waren slechts enkele schakels uit een langen keten van fauni'stisch werk, dat gedurende een lange reeks van jaren Dr. Kerbert bezig hield.

Schier alle groepen van het dierenrijk hebben daarbij in meerdere of mindere mate zijn aandacht getrokken en omtrent velen mocht het dankbare publiek wetenswaardigs vernemen.

Deze rebels willen uiting geven aan de gevoelens van een veertigjarige vriendschap met den man wiens zeventigsten geboortedag velen in den lande met ingenomenheid herdenken, zij willen tevens een bewijs geven van hoogachting voor het levenswerk van den jubilaris.

Ik meen dit niet beter te kunnen doen, dan door een bijdrage voor dezen feestbundel te leveren, die enkele vraagpunten der nederlandsche fauna behandelt.

Allen zijn het er over eens, dat het karakter der dierenwereld van een bepaald gebied in de eerste plaats afhankelijk is van de geographische ligging van dat gebied, maar daarnaast in nauwelijks mindere mate van zijn wordingsgeschiedenis en van de wordingsgeschiedenis der fauna zelve.

Weliswaar bepaalt de geographische ligging de levensvoorwaarden der dieren en van dat gezichtspunt uit zijn zij producten van hun omgeving; maar dit is met het eenige moment. De dierenwereld van een gebied, zijn fauna, is in meerdere of mindere mate een mengsel, dat zich slechts uit het verleden laat verklaren.

Met wordingsgeschiedenis van een gebied" bedoelen wij de veranderingen m de verdeeling van land en water, die bovenal sedert het tertiaire tijdperk van ingrijpenden invloed waren op de versprijding der dieren. Verhuizing naar en uit een landstreek en daarmede de mogelijkheid tot vermenging van oorspronkelijk gescheiden faunagebieden, vordert landverbindingen, wier ontstaan of opheffing geologische gebeurtenissen zijn, die buiten onze beschouwing vallen. • . . ,. ,. .

Hand in hand daarmede of onafhankelijk daarvan konden evenwel klimatische veranderingen plaats hebben. En dat „klimaat" de belangrijkste levensvoorwaarden voor de dieren omvat is duidelijk genoeg wanneer wij in het oog houden, dat klimaat een meteorologisch be-rip' is van zeer ruimen omvang. Het is toch het geheel van meteorologische verschijnselen, die* de temperatuur, de vochtigheid, de mate van verlichting, de geaardheid van den bodem en het plantenkleed beheerschen. En nademaal de dieren direct afhankelijk zijn van het

Sluiten