Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevangen, die uit de Rotterdamsche Diergaarde ontsnapt was ') en bij den Helder strandde een exemplaar van het braziliaansche waterzwijn (Hydrockoerus capybara) % dat blijkbaar van een voorbijvarend schip afkomstig was. Op die wijze kwamen ook verschillende exemplaren van de Caret-schildpad (Chelonia midas) bij West-Kappelle aan het strand, die afkomstig wTaren van een van Antwerpen komend amerikaansch schip, dat meerdere exemplaren overboord had doen werpen 3).

Maar er zijn ook ontwijfelbare voorbeelden van geslaagde acclimatisatie. Wij herinneren aan cle geschiedenis van de wijngaard-slak (Helix pomatia L.). Het was in Duitschland opgevallen, dat deze slak, die in Zuid- en Midden-Dnitschland algemeen verspreid is, in NoordDuitschland steeds schaarscher wordt en gebonden bleek aan oude nederzettingen. In 1888 stelde dan ook E. von Martens 4) de vraag of zij wel in Noord-Duitschland inheemsen was. Overtuigend werd die vraag door hem en anderen in dien geest beantwoord, dat de slak eerst na Karei den Groote, met invoering van het christendom, door ridders en monniken als vastenspijs werd ingevoerd. Zoo werden burcht- en kloostertuinen de centra van waar uit cle slak zich allengs verspreidde en inburgerde. Ook bij ons wijst het gelocaliseercle voorkomen (buitenplaatsen bij Haarlem, Leiden, den Haag; Buren bij ïiel, waar vroeger een klooster stond) op een soortgelijke invoer en acclimatiseering5). Terecht zegt daarom Herklots0) van haar: „op de meeste plaatsen waar zij gevonden werd, kan men nog nagaan, dat zij ingevoerd is geworden en later om zoo te zeggen verwilderd1'. Neemt men in aanmerking, dat zij in den omtrek van Haarlem „Caracolle" heet, zoo is men geneigd aan import door Spanjaarden te denken. Caracola toch is haar spaansche naam, het equivalent van het fransche escargot. Men had ook aan invoer door den Rijn kunnen denken, nademaal de slak de rotsige oevers van den Rijn boven Bonn talrijk bewoont en Darwin bewees, dat zij, door haar deksel beschermd, lange onderdompeling verduren kan. A. C. Oüdemans 7) bericht dan ook van een te Arnhem aangespoeld exemplaar. De kalkhoudende „Löss" bij Arnhem wTare een goede woonplaats voor haar geweest. Maar haar wijze van voorkomen verzet zich tegen deze verklaring. Zij kan evenmin als een relict beschouwd worden, want zij ontbreekt in de jongere glaciale diluviale afzettingen en evenzeer in het Alluvium van Noord-Duitschland.

Met meer succes is de snoekbaars (Lucioperca lucioperca L.) bij ons ingevoerd. Oorspronkelijk kwam deze gewaardeerde tafelvisch in Europa slechts yoor in de Elbe en in rivieren en meeren oostwaarts daarvan, in Rusland tot in het westelijke Azië; in de Oostzee, het zuidelijk Noorwegen, Zweden en Finland, verder in het Donaugebied, in de Zwarte en Kaspische Zee, in het Aral-meer en in de daarin mondende rivieren. In 1883 in den duitschen Rijn gepoot, werd reeds in 1888 het eerste exemplaar te Milligeu bij Nijmegen gevangen 8), in 1891 een exemplaar te Waardenburg in Gelderland0)- Reeds in 1892 ontving het Kon. Zoologisch Genootschap Natura Artis Magistra een exemplaar, dat op 3 October nabij Zeeburg in de buurt van Amsterdam bemachtigd was. Sedert dien is de visch zoo ingeburgerd, dat men hem b.v. uit de buurt van Uitgeest voor comsumptie bestellen kan.

Dat andere visschen zooals de hongaarsche karper, de regenboogforel (Salmo irideus) en cle dwergmeerval (Amiurus nebulosus) zich steeds meer bij ons zullen inburgeren, zij slechts aangestipt.

Met meer nadruk is er op te wijzen, hoeveel kritiek in deze materie noodig is. Maar al te licht wordt van een organisme, dat ons in onze fauna vreemd aandoet, veronder-

1) F. A. Jentink, Tijdschr. Ned. Dierk. Ver. (2) XI. 1909, Versl. p. XLIII.

2) C. Kerbert, Tijdschr. Ned. Dierk. Ver. (2) V. 1895, Versl. p. V.

3) M. Weber, Tijdschr. Ned. Dierk. Ver. (2) III. 1889, Versl. p. XXXIII, zie ook F. A. Jentink, ibid. (2) V. 1895. Versl. p. V.

4) E. von Martens, Naturw. Wochenschr. 1888.

5) Dat Helix pomatia in Zuid-Limburg aangetroffen wordt, ligt haast voor de hand, maar is natuurlijk buiten verband met de verhouding in het overige Nederland, dat faunistisch zoo belangrijk afwijkt van Zuid-Limburg.

6) F. A. Herklots, Nat. Historie van Nederland, Weekdieren, 1870, p. 35.

7) A. C. Oudemans, Tijdschr. Ned. Dierk. Ver. (2) X. 1906, p. XXXIII.

8) O. Kerbert, Bijdragen tot de Dierk. Feestnummer 1888. p. 66. — Tijdschr. Ned. Dierk. Vereen. (2) II. Versl. Vergad. 1888, p. XXXIV.

9) A. A. van Bemmelen, Tijdschr. Ned. Dierk. Vereen. (2) III. 1892, Versl. Vergad., p. CXIII.

Sluiten