Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kelijke opvatting, dat alleen van ingevoerde of uit aquaria ontsnapte exemplaren sprake kon zijn, niet meer steekhoudend is. Dat kon aanvankelijk nog eenigszins aannemelijk zijn voor het exemplaar, dat in 1893 in de Hornespolder bij Katwijk1) gevangen werd; nauwelijks meer toen vervolgens in de Haarlemmer trekvaart bij Amsterdam 2), aan de Waalsdorper weg bij 'sGravenhage (A. C. Oudemans volgens C. Willemse 1. s. c.) en in Groningen in het Storterhuistermeer 3), een oud riviertje, verdere exemplaren aangetroffen werden. Gezien de verborgen leefwijze der schildpad, gezien de afgelegenheid van de meeste van deze vindplaatsen, wordt het in het licht van de talrijke vondsten in Limburg meer dan onwaarschijnlijk, dat het zich hier steeds om ontsnapte exemplaren zou gehandeld hebben. Wij zullen niet mistasten, als wij aannemen met een relict te doen te hebben uit een veraf gelegen tijd, toen de schildpad een ruimere verspreiding had ook ten oosten van ons land. Daarvoor pleit, dat zij thans nog sporadisch iu Westfalen voorkomt en als subfossiel in de venen in Zuid-Zweden, Denemarken, Zwitserland en vele streken in Duitschland, waar zij allengs uitgestorven is.' Zij is trouwens ook uit het pleistoceen van Engeland bekend.

In de derde plaats noem ik den hamster (Cricetus cricetus L.). Import is bij hem natuurlijk uitgesloten. Daar hij in faunistische geschriften eerst sedert 1880 uit Limburg genoemd wordt, neemt men vrij algemeen aan, dat hij een immigrant van de laatste tientallen van jaren uit het naburige Duitschland b.v. uit de omgeving van Aken, zou zijn.

Dit is nauwelijks een bewijs; het laat zich gemakkelijk verklaren, door de vroegere opmerkelijk geringe belangstelling in ons land voor de studie der in 't wild voorkomende gewervelde dieren, behalve vogels. Wilde men de gewraakte redenatie tot uitgangspunt nemen, men zou tot vreemde uitkomsten komen. Om slechts enkele voorbeelden te noemen, zoo kent men de te noemen gewervelde dieren eerst sedert de bijgevoegde jaartallen als leden onzer fauna: moerasschildpad (Emys orbicularis L.) 1897; de salamanders Molge alpestris Laur. en M. palmata Schreib. 1875; de knoflookpad (Pelobates fuscus) 1898; de vroedmeesterpad (Alytes obstetricans) 1893; de wijdverspreide heikikvorsch (Rana arvalis Nilss.) 1878; de hazelmuis (Muscardinus avellanarius L.) en de eikelmuis (Eliomys quercinus L.) 1898.

Niemand zal willen beweren, dat al clie dieren immigranten zijn uit den laatsten tijd!

Het voorkomen van den hamster laat zich dan ook, zooals wij later zullen zien, minder gekunsteld verklaren.

Wij hebben boven enkele dieren (wijngaardslak, snoekbaars e.a.) leeren kennen, waardoor onze fauna m historischen tijd verrijkt werd; groot is hun aantal niet; het verdwijnt tegenover de verarming, die zij onderging.

Oudtijds waren zonder twijfel cle hooger gelegen deelen van Nederland — daargelaten het diluviale heuvelterrein, dat wel, evenals thans, met heidevelden en verspreide sparren en eikenstruiken begroeid was — met loofbosch bedekt. Hieraan sloot zich het lage gebied aan met uitgestrekte meren, plassen, moerassen, venen, kortom stilstaande wateren verschillend in afmeting, bodem en plantengroei; het werd doorstroomd door rivieren en tallooze waterloopen, die aan ongeregelde overstroomingen bloot stonden.

Oude berichten en vondsten, en in niet mindere mate het onderzoek der terpen en wierden, dat onder de bekwame leiding van Dr. A. E. van Giffen, tot zulke belangrijke uitkomsten geleid heeft, toonen aan, dat in de eerste helft onzer jaartelling oeros, eland, edelhert, bruine beer, wild zwijn, wolf, bever e.a. Nederland bewoonden. Daarvan is slechts edelhert en wilde zwijn, die vroeger tot in de zeeprovincies voorkwamen, overgebleven. Het wilde zwijn, thans weer ingevoerd, recruteerde zich voordien gedurende de laatste 50 jaren in hoofdzaak wel uit overloopers uit Duitschland. Zoo is het ook met den wolf. Vroeger zoo algemeen, dat drie, vier eeuwen geleden de bevolking, zelfs in de buurt van Amsterdam, nog tot de jacht opgeroepen werd 4), is het, niet mogelijk een jaartal op te geven voor den laatsten

1) J. Th. Oudemans, Tijdschr. Ned. Dierk. Ver. (2) IV. 1893, p. XXIII.

2) E. Heimans, De Levende Natuur IX. 1905, p. 53.

3) h. van Zanten, in de Levende Natuur XIV. 1909, p. 99.

4) R. F. Maitland. Notices sur les animaux rares des Bays-Bas 1898, p. 4.

Sluiten