Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

indigenen wolf. De zeer enkelen, die bij ons geschoten zijn, zooals in 1891 tusschen 's Hertogenbosch en Tilburg, zijn overloopers, die in strenge winters uit de Ardennen en over cle Kleefsche bosschen tot in het oosten van ons land afdwaalden. De laatste bever werd omstreeks 1801 dicht bij den IJssel geschoten ')•

Niet minder was de verarming in de vogelwereld. Maar zij was meer van nnmerieken aard al zijn enkele vogels, zooals de kwak {Nycticorax nycticorax L.), nagenoeg tot uitroeiing gekomen. Vooral water- en moerasvogels verloren door de uitgebreide droogleggingen hun woon- en broedplaatsen. Zoo vertelt ons Pelt Lechner 2) hoe het voormalige Zevenhuizensche Bosch in de buurt van Rotterdam een beroemde broedplaats was van lepelaars, kwakken, reigers, schollevaars. Reeds lang is dit vogeldorado verdwenen; met anderen is het evenzoo gegaan. En terwijl vroeger de vogeloorden in ons waterrijk land in Europa alleen nog maar in het Donaudelta hun evenknie vonden, moeten wij thans dankbaar zijn, dat nog enkele „natuurmonumenten" en beschermde wateren, zooals het Zwanewater in Noord-Holland, ons herinneren aan den voormaligen rijkdom.

Maar de invloed van den mensch beperkte zich niet tot ontbossching en drooglegging. Juist in onzen tijd zien wij hoe ook de hooge en lage diluviale gronden meer en meer in cultuur genomen en veranderd worden. Enkele cijfers maken dit duidelijk. De „woeste gronden" besloegen b.v. in Gelderland in 1833 nog 165.000 H.A., in 1912 was dit cijfer gedaald tot 92.000 H.A. Voor geheel Nederland waren die cijfers 907.000 respectieve 524.000 H.A. In 1833 maakten de woeste gronden nog 27.9%, in 1912 slechts 16.08°/o van het totale landoppervlak uit3). De invloed van een en ander op de fauna behoeft geen nader betoog.

Maar ook op andere wijze grijpt de mensch in.

De „correctie" der rivieren, bij name van Rijn, Maas, IJssel en bijbehoorende waterwegen, bracht ingrijpende veranderingen in hun stroom, bodem, schuilplaatsen e.d.m. te weeg, die niet zonder invloed bleven op zalm, elft, steur, wier aantal ziender ooge afneemt. De vervuiling door fabriekswater vernietigt de fauna in beken, vaarten en slooten; de Geldersche beken b.v. leveren daarvoor het eclatante bewijs. De Eerbeek b.v. huisvestte vroeger blijkbaar zoo talrijk den rivierkreeft, dat in de 17de eeuw in het „Markenboek" de bepaling genotuleerd werd, waarbij het op hooge straffe verboden werd weren in de beek te maken om kreeften te vangen. Toenmaals waren zij nog zoo talrijk, dat het de moeite loonde, strafbepalingen omtrent hun vangst te maken, thans zijn zij uit de vervuilde Geldersche beken verdwenen.

In de voorafgaande beschouwingen zijn van verschillende gezichtspunten uit waaronder men eene fauna beschouwen kan, heel wat dieren ter sprake gekomen, die heden in Nederland worden aangetroffen. Soms kwam daarbij ook reeds een historisch moment op den voorgrond. Om evenwel de fauna juist te begrijpen, moet cursorisch een blik geworpen worden op hare geschiedenis zooals geologie en palaeontologie haar leert.

Terecht heeft Kobelt opgemerkt, dat men er niet aan denken zou de hedendaagsche noordeuropeesche fauna van de jong-tertiaire af te scheiden als niet de ijstijd en het optreden van den mensch ingegrepen hadden in de levensvoorwaarden der dieren en deze grondig veranderd hadden.

Op het hoogtepunt van den ijstijd4), was Nederland ten Noorden van den Rijn door landijs overdekt, Of die ijsbedekking dik of dun, gesloten of hier en daar onderbroken was, is, zoologisch gesproken, van geringe beteekenis; zij moet de bestaande dierenwereld in

1) Hier is wellicht de plaats eene vergissing recht te zetten. Een teekening van den kop van een walrus, door A. Dürer tijdens zijn reis in Nederland (1521) gemaakt a) met de schriftelijke bijvoeging, dat hij gevangen was „in der niederlandischen See", heeft Killermann b) tot de veronderstelling gebracht, dat toenmaals de Walrus in de Noordzee voorkwam en een ex. aan de kusten van Nederland,, „verschlagen" werd. Dit komt mij geheel onwaarschijnlijk voor; trouwens de teekening van Dürer maakt niet den indruk vervaardigd te zijn naar een versch exemplaar, vermoedelijk naar een in zout bewaarden of opgezetten kop, die door ijszeevaarders naar Nederland was meegebracht.

a) Gereproduceerd b.v. in „Albrecht Dürer schriftlicher Nachlass" herausgegeben von E. Heydrich, Berlin 1908, p. 80.

b) Killermann, Naturw. Wochensehrift XXVII. 1912, p. 785.

2) A. A. van Pelt Lechner, Ardea VII., p. 99.

3) Ontleend aan R. Schuiling : Nederland 1915, p. 548.

4) Voor ons doel is het voldoende haar als een eenheid te beschouwen.

24

Sluiten