Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rectale gedeelte en de woekeringen aldaar grootendeels scheurt. Toch gelukt het soms, eenige in toto vrij te krijgen waardoor het mij mogelijk werd een inzicht in de verhoudingen te krijgen. Het bleek n.1. dat bij de aangetaste dieren het rectale gedeelte van den darm zeer dikwijls aan de ventrale zijde overlangs gespleten is. De darminhoud zou hier in de lichaamsholte kunnen treden indien niet de spierlaag in de meeste gevallen voor de afsluiting zorgde, maar tevens woekert'uit een meer proximaal gelegen spierbundel, eveneens aan de ventrale zijde van den darm, een eigenaardig plat kelkvormig uitgroeisel, welks ran'den met de spierbundellaag vergroeid kunnen zijn en zich naar achteren toe over de darmspleet heenbreidt. De verhoudingen zijn hier moeilijk waar te nemen, daar de spieren bij het anale gedeelte van den darm sterk hypertrophisch zijn geworden en de spiervezellaag, waarmede het aanhangsel vergroeid kan zijn, in de meeste gevallen scheurt, zoodat dit laatste vrij komt te hangen en onder het microscoop den indruk maakt van een klein ventraal aanhangsel van den darm dat vrij in de lichaamsholte hangt. Dit is in de beginstadiën van het aanhangsel ook werkelijk het geval en het schijnt mij toe dat het in latere stadiën secundair met de spiervezellaag vergroeid kan raken. Meermalen ziet men aan den voet van het aanhangsel op de plaats waar het bij de ventrale spier te voorschijn treedt, nog een kleiner en soms zelfs een derde nog weer kleinere aanleg van een uitgroeisel, (fig. 1 en 2). Ik houd het er dan ook voor dat na iedere vervelling een nieuw uitgroeisel de plaats van het oude, dat dan zijn functie vervuld heeft, komt vervangen.

Dit kelkvormige aanhangsel is evenwel volstrekt niet datgene wat het meest opvalt bij een onderzoek van den einddarm. Integendeel het duurde geruimen tijd voor ik het ontdekt had, terwijl daarentegen dadelijk veel meer in het oog springt de aanwezigheid van een rand verdikt darmepitheel waardoor heen zich zeer waarschijnlijk de myceliumdraden gevlochten hebben.

Ten einde nu een duidelijke voorstelling te kunnen geven van hoe en waar deze epitheelwoekeringen plaats vinden, moet ik er aan herinneren, dat bij de vervelling ook de geheele binnenwand van den darm wordt afgestroopt. Niet zelden komt het voor, dat men den chitineusen binnenwand gemakkelijk in haar geheel met het pincet uit den darm kan te voorschijn halen (fig. 2). Bij nauwkeurige beschouwing bemerkt men dan dat die membraan op eenigen afstand van de anale opening een licht gegolfde ringvormige teekening vertoont, waarschijnlijk teweeg gebracht door een geringe plaatselijke verdikking van de chitinemembraan. Bij zeer sterke vergrooting kan men nu bij Porcellio-soorten (bij Oniscus murarius was dit niet het geval) waarnemen, dat het gedeelte van de ehitinemembraan, dat distaal van dien ring ligt, aan de binnenzijde voorzien is van uiterst fijne tandjes, die in de rangschikking veel overeenkomst vertoonen met die op de huid alleen maar veel minder ontwikkeld zijn. Deze tandjes duiden er m. i. op, dat men hier met een ectodermaal gedeelte van den darm te doen heeft. Wat de oorsprong van de rest van den darm betreft, schijnt men daarover bij Onisciden nog eenigszins in onzekerheid te verkeeren. Ik houd het evenwel voor zeer waarschijnlijk, dat de bovengemelde chitineverdikking de plaats aanduidt waar twee celwerelden elkander begrenzen. Ook de epitheelwoekeringen door den fungus veroorzaakt, komen deze opvatting versterken. Het is n.1. juist op deze grens, dat die epitheelverdikkingen voorkomen en wel zijn het de epitheelcellen van het darmgedeelte dat proximaal van den chitineusen ring ligt, die een aantal pathologische deelingen doormaken, waarbij de cellen met hun kernen telkens kleiner worden tot zij eindelijk een samengedrongen band van onregelmatig cylinderepitheel vormen, dat in lichte golvingen naar binnen omkrult, juist op de plaats waar naderhand de chitine verdikking zichtbaar zal blijven (fig. 1, 6, 7 en 10 ep. w.). Die epitheelwoekeringen zijn dan aan de darmlumenzijde door de chitineuse tunica intima bedekt. Distaal gaat de woekering over in een dunne membraan, die uitkleinkernige cellen is opgebouwd en die voortwoekert tusschen de tunica intima en de darmepitheelcellen. Aan de ventrale zijde van den darm, op de plaats waar de overlangsche splijting van den. darmwand tot stand komt, woekert dit pathologische epitheel aan weerszijden van de spleet naar achteren toe en nestelt zich hier dus ook tegen dat deel der tunica intima,

Sluiten