Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

262. Munia maja (L.)..

a, b. Medan. April 1912.

c—e. » Mei »

f, g. » Juni »

h, i. » September 1912.

Mal.: bondol.

Zeer algemeen op open terrein, vormt met andere Ploceiden groote zwermen, zoowel in de beneden-streken als- op de Hoogvlakte.

Het bolvormige nest wordt meestal in de alang-alang opgehangen. Eieren wit, dof.

3 eieren (één legsel). Medan. 3 Juni 1912. 16X11, 17X11 m.M. 5 „ „ „ „ 20 Mei 1915. 15X11, 16X11 m.M.

4 „ „ ,, Paggar Marbau. 14 Juni 1915. 15X11, 15X12 m.M. Bij een dozijn andere eieren komt nog een exemplaar van 16 X 12 m.M. voor.

263. Munia atricapilla (Vieill.).

a. Brastagi. Februari 1913.

Deze soort heeft een merkwaardige verspreiding. In Langkat, Deli en Serdang heb ik haar nooit waargenomen; wanneer men den grooten weg van Medan naar Asahan volgt, dan ziet men haar het eerst voorbij Tebing ïinggi, ongeveer 100 K.M. van Medan in de laagvlakte; in de omstreken van Pematang Siantar is zij algemeen, zelfs hinderlijk op de sawah's, en voorts komt zij talrijk voor bij Brastagi, 70 K.M. ten Z. van Medan, maar 1400 M. boven zee.

264. Munia punctulata nisoria (Temm.).

a, b. Medan. Mei 1912.

c. » 26 September 1912. 11 c.M.

d, e. » 22 Oetober 1912. 10'/2 c.M.

Zeer algemeen, met andere soorten dezer familie in groote zwermen op open vlakten. Eieren dof, wit.

4 eieren (één legsel). Kaban Djahé. 29 Mei 1915. 16X11, 17X11 m.M. 4 „ „ Medan. 19 Juni 1915. 15X10, 16X10 m.M.

2 „ „21 Juni 1915. 15X11, 16X11 m.M.

Zes andere eieren zijn ook 15X11, 16X11, 16X11 m.M.

265. Uroloncha acuticauda (Hoclgs.).

a. Medan. April 1912.

b. » 22 Mei »

c. d. » 22 October 1912. 10 cM.

Mal.: prit.

Zeer algemeen op open terreinen en op bewoonde plaatsen. Nestelt soms in de woningen. Eieren wit.

12 eieren. Medan. 21 Juni 1915. 14X11, 15X11, 16X11, 17X10 m.M.

266. Ploceus passerums infortunatus Hart..

a. Medan. 17 Mei 1912. Resten van zaden.

b. » 3 October 1912. 13 c.M. Resten van zaden.

c. » 31 « » 13 c.M. i) » »

d. » 20 November» 121/2 cM.

e. f. » 28 Juni 1914. Mal.: manjar.

Plaatselijk algemeen, is meer op houtgewas gesteld dan de andere Ploceiden. Als ophangplaatsen voor de groote, kunstig gevlochten nesten worden bij voorkeur tjemara's (Casuarina) uitgekozen.

Eieren dof, wit.

Sluiten