Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eerste Haagsche Vredesconferentie verklaarde, dat geen scheidsgerechten en ontwapening, maar een scherp geslepen zwaard de beste waarborg voor den vrede was.

Een jaar later verkondigde hij den naar China vertrekkenden troepen, 27 Juli 1900, de volgende schoone beginselen van oorlogvoering:

„Er wordt geen pardon gegeven. Er worden geen gevangenen gemaakt.... Gelijk duizend jaar geleden de Hunnen onder hun koning Etzel zich een naam hebben gemaakt.... zoo moge thans in China de naam Duitscher een zoodanigen klank krijgen, dat nooit een Chinees het weer waagt, een Duitscher ook maar scheel aan te kijken."

Dat later in den wereldoorlog de wijze van de Duitsehe oorlogvoering een koelbloedig overlegd stelsel van wreedheid werd genoemd, 't welk den Duitschers den scheldnaam „Hunnen" bezorgde, heeft het Duitsehe volk aan zijn keizer te wijten.

Zulke uitingen wékten bij alle humaan denkende menschen afschuw voor het Duitsehe volk; tegelijkertijd zag Wilhelm er evenwel geen been in, de imperialisten in het buitenland den handschoen toe te werpen. In 1896 begon hij daarmee met zijn telegram aan president Kruger, waarin hij in het conflict tusschen Engeland en de Boeren, den laatsten zijn vriendschap betuigde.

Kort daarna, in 1898, proclameerde hij zich tot beschermheer van de 300 millioen mohammedanen der wereld. Dat gold zoowel de mohammedanen in het door Frankrijk beheerschte Algiers, als die in Egypte en Britsch-Indië, zoowel de mohammedanen in Rusland, als die in het door Rusland bedreigde Turkije.

Het was slechts een voortzetting van deze uitdagen do politiek, dat Wilhelm, toen Frankrijk belangen in Marokko aan den dag begon te leggen, in 1905 te Tandzjer den sultan van Marokko zijn bescherming beloofde tegen iedereen, die zijn onafhankelijkheid mocht bedreigen, en later in 1911 plotseling een oorlogsschip naar de Marokkaansche haven Agadir zond.

Beide koeren werd de wereldvrede in gevaar gebracht. De zaak werd er niet beter van, dat Wilhelm» telkens als het er op aankwam de bedreiging waar te maken, den moed verloor en hen, wien hij zijn bescherming had beloofd, in den steek liet; bijv. den sultan van Marokko en op bizonder onwaardige manier do Boeren. Dat maakte niet alleen haat, maar ook minachting gaande.

Bij deze conflicten stonden aan weerszijden impe-

Sluiten