Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

samenkomst een Belgisch diplomaat, baron Beyens, in zijn boek: „L'Allemagne avant la guerre, les «auses et les responsabilités (Parijs 1915, blz. 265). Beyens was bjj het begin van den oorlog Belgisch gezant te Berlijn, en hij schreef van daar rapporten, die voor Duitschland zoo sympathiek waren, dat de Duitsehe regeering, die ze na den intocht in Brussel vond, een reeks ervan openbaar maakte in het deel: „Belgische Aktenstücke 1905—1914". Intusschen wijzigde Beyens zijn gunstigen dunk van de Duitsehe politiek volkomen na het Oostenrijksche ultimatum. De rapporten, die hij van toen af aan schreef, zijn door het ministerie van buitenlandsche zaken te Berlijn niet openbaar gemaakt. Men vindt ze in de „Correspondenoe diplomatique relative a la guerre de 1914—'15." Parijs 1915.

Ondanks Beyens vertelt de heer von Jagow nog in zijn boek over „Ursachen und Ausbruch des Weltkrieges." (Berlijn, 1919, blz. 101): „De troonopvolger wilde zijn keizerlijken vriend het bloeien der rozen op het Boheemsche landgoed, waar hij bijzonder veel van hield, laten zien."

Over hetgeen to Konopischt werd uitgebroed zou alleen Wilhelm zelf gezaghebbende inlichtingen kunnen geven. Dat de samenkomst niet alleen den geur der rozen gold, bewijst een rapport, dat Tschirschky, de Duitsehe gezant to Weenen, op 17 Juni 1914 aan den rijkskanselier zond. Dit rapport begint met de volgende mededeeling:

„Graaf Berchtold was na het vertrek van Z. M. den Keizer door Z. Hoogheid aartshertog Frans Ferdinand op Konopischt genoodigd. De minister vertelde mij vandaag, dat Z. K. en K. Hoogheid zich in de hoogste mate voldaan over het bezoek van Z. M. had uitgelaten. Hij had over alle mogelijke vraagstukken uitvoerig met Z. M. gesproken en aldoor volkomen overeenstemming van opvattingen kunnen constateeren."

Helaas deelt het rapport niet mee, welke opvattingen dat waren. Uit het volgende vernemen wij, dat veel gesproken werd over de politiek, die tegenover de Roemeniërs gevolgd moest worden. Frans Ferdinand was het met Tisza's politiek tegenover de Roemeniërs niet eens, daar Tisza concessies van belang aan de Roemeniërs in den Hongaarschen staat weigerde, waarbij Wilhelm in een aanteekening op den rand opmerkt:

„Hij mag door zijn binnenlandsche politiek, die bij de Roemeensche kwestie op de buitenlandsche van het

Sluiten