Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Fransche, zoo talrijk te voorschijn te halen, als iemand maar zou kunnen verlangen.

Beide, het begrip klassen en van den strijd dier klassen, maakten nog in de nadagen der Revolutie van 1848, waar de politieke studies van Marx en engels uit dien tijd ons heen verplaatsen, deel uit van den gemeenschappelijken gedachtenvoorraad der publieke opinie zoogoed van de heerschers als van de overheerschten.

Wil men ten slotte — en bij wijze van klap op den vuurpijl — nog een bizonder duidelijk voorbeeld, hoe zich in de hoofden der toenmalige bezitters zelve de maatschappelijke strijd afspiegelde, zoo noteere men deze woorden uit de groote rede, die de heer bright, lid van het Engelsche Parlement, den 3en Februari 1853 op een bijeenkomst van „Reformer", d.w.z. vertegenwoordigers van handel en industrie der groote Engelsche nijverhèidsdistricten hield:])

,.Wij mogen niet vergeten, dat alles, wat het land sinds de Revolutie van 1688 bereikte — en in 't bizonder hetgeen in de laatste jaren verworven is — bereikt werd in den mannelijken strijd van de industrie- en handeldrijvende klassen tegen de aristocratie en de bevoorrechte klassen van dit land. Wij moeten denzelfden strijd verder voeren, er zijn nog groote dingen te volbrengen".

Hier hebben wij dus de klassen niet alleen, maar ook den klassenstrijd in optima forma, in den mond van staatslieden, die van een klassenstrijd-theorie ongetwijfeld nooit iets hadden vernomen en voor wie Marx en engels vermoedelijk onbekende vreemdelingen en samenzweerders waren.

Evenwel behoeft men bij de burgerlijke staatslieden van die» tijd, den tijd na de eerste Revolutie, waarin de strijd der groote klassen, waaruit de burgerlijke maatschappij sinds haar volledige ontplooiing is samengesteld, ook den minst-helderziende ad oculos gedemonstreerd was — wij meenen de Revolutie van 1830 en inzonderheid die van 1848 — niet naar een diepere ontleding, een theoretische samenvatting van het begrip, of den aard te zoeken van datgene, wat zij met klasse en strijd der klassen aanduidden.

Wil men het begrip in zijn vollen omvang en wezenlijken inhoud benaderen, Jan dient men het oor bij de beide grooten te luisteren

*) t. a. p. p. 92.

Sluiten