Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vijand van mij was. Vroeger waren wij nogal goed met elkaar, maar ik weet niet recht hoe het gebeurde, ik geloof dat ik hem eens in een spraakzame bui vertelde hoe ik onder zijn oogen gesmokkeld had — h fin, de kerel had het land aan mij sedert dien tijd en hij zwoer een duren eed dat wie er ook smokkelde, hij wel zou zorgen dat ik het niet deed.

Het was een lastig geval. Het bezit van het vaatje, zoolang het aan boord was, bleef gevaarlijk voor mij, want men kon het bij toeval ontdekken en ik zag geen mogelijkheid om het buiten het dek

te krijgen, want die vervl officier hield een oog

op mij en op het schip als of zijn leven ervan afhing.

Maar een oude zeebonk zooals ik, is nog altijd tegen zoo'n landrot opgewassen, en in een paar minuten had ik alles voor mijn plan gereed gemaakt.

Ik ging toen naar mijn vijand die op dek op en neer liep, en sprak heel vriendschappelijk tot hem.

Hij, echter, zag mij wantrouwend aan. „Kapitein, die smoesjes kennen we, je kan mij er niet mee bedotten hoor, en ik zal wel zorgen dat je dezen keer ten minste niet smokkelt."

Ik zwoer echter bij hoog en bij laag, dat ik nog nooit van mijn leven gesmokkeld had en dat het trouwens bij zoo'n schrander officier als hij was, geheel onmogelijk zou wezen. Toen vroeg ik hem hoe het met zijn vrouw ging, of zijn jongstgeborene al tandjes had, enz.

Terwijl ik met hem spreek, hooren wij in eens een

Sluiten