Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daar bijna altijd steenkolen in open kaarden stookt, terwijl men bij ons kacbels en cokes gebruikt. Hier gaat de rook van misschien wel zes kachels met gemak door een kleine ijzeren pijp — daar heeft iedere haard een eigen schoorsteen noodig.

En toch, ondanks rook. en schoorsteenen heb ik een voorliefde voor die open haarden. Het is zoo gezellig, 's winters in een kring om dat knëttérende vuur te zitten — de schemering; is. reeds gevallen; maar de lamp is nog niet opgestoken — de altijd bewegende vlammen in den haard werpen een phantastisch licht op ons en schaduwen dansen grillig door de kamer. En als men alleen op zijn kamer voor zoo'n haard zit met den stoer achter over en de beenen op den schoorsteenmantel, dan eerst leert men een open haard recht waardeeren. Men voelt zich niet langer eenzaam, men verveelt zich niet meer, want men wordt nooit moede het vuur te bekijken. En wat is er in vuur al niet te zien. Prachtige grotten, van lichtend goud of van vurig rood, grotton zoo teer van vorm, zoo glanzend van kleur dat zelfs de .sprookjesheerlijkheden in „Duizend en één Nacht" er bij. verbleeken.

Vreemd gevormde vlammen schieten omhoog en andere kruipen langs de nog zwarte kolen, slingeren zich om hen heen tot dat zij blozend gloeien onder die beete omarming. En ieder oogenblik verandert het — geen minuut blijft het hetzelfde.

Ik heb dikwerf gewenscht dat ik een van Gulliver's Lilliputtertjes kon machtig worden. Wat zou hij zich

Sluiten