Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in loomen tropischen slaap, — maar meer noordwaarts worden de gele wateren door de typhoons opgezwiept en beuken schuimend de rotsachtige kust.

Eeuwig veranderend, vol beweging, vol bruisend leven is de zee, maar altijd bekorend, — bekorend in haar zoet gevlei, bekorend in haar woest gebulder. En de zeeman bemint de zee, de zee is voor hem zijn wereld, zijn alles, zijn leven en —~zijn graf.

Ik hou me vast aan de campagne-deur, half zittende op de spatplank. Gij zult wel bemerkt hebben dat er tusschen de stijlen van alle dekdeuren koperen richels zijn aangebracht. Is het stormachtig weer, dan worden de deuren en patrijsgateh aan de windzijde gesloten, en aan do luwzijde plaatst men tusschen de richels een plank ongeveer een halven meter hoog; dit is om te beletten dat de golven die op dek spatten, het salon binnendringen.

Wat ziet zoo'n schip in stormweer er toch heel anders uit. — Gisteren nog was het dek blinkend wit en bezaaid met dekstoelen, reismantels, boeken enz.; nu is het eenzaam en verlaten, alles drijft van water en de planken zijn nattig bruin. Uitgestorven schijnt het schip, bijna niemand ziet men. - Ik steek mijn hoofd buiten de deur, schuim en windvlagen trotseerende, en kijk naar voren.

Op de brug staan twee logge gedaanten in zware oliejassen gehuld, het hoofd verscholen in een „souwester." Nu eens turen zij met geoefenden blik naar

Sluiten