Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hart van zijn kinderjaren, de teedere snaren van zijn gemoed zijn nog niet door de ruwe hand van wereldsehe ondervinding gebroken en dat komt omdat hij de wereld niet kent, hij, wiens wereld een paar honderd voeten lang en een paar tientallen voeten breed is.

Rustig en vreedzaam is zijn leven, ver van het wereldsch gewoel, op den grooten Oceaan. Zacht en teeder is zijn hart als dat van een vrouw, als hij leed verdrijven, ongelukkigen troosten kan, maar sterk en vastberaden is dat hart in de ure des gevaars. Moedig trotseert hij. met ijzeren wil de woeste natuurkrachten, als landrotten jammeren en hunne kleine hartjes van schrik in elkaar krimpen, en is er geen redding meer mogelijk, dan ziet hij onbevreesd den dood in de oogen.

En het is daarom ook te begrijpen dat de zeeman, deze eenvoudige natuurmensch, godsdienstig is, want de -behoefte aan een godsdienst zit in alle natuur* menschen. Godsdienst is een natuurdienst en heeft zijn oorsprong in de vrees van den mensch, de vrees voor de onbekende machten. En met deze groote onbekende natuurmachten komt de zeeman herhaaldelijk in aanraking. Als de orkaan het schip gelijk een veertje medevoert, als het gelijk een speelbal op de wilde golven danst, dan gevoelt de zeeman al het nietige van den mensch en van zijn werken, en dan buigt hij het hoofd voor de wereldkracht, die zich aan hem openbaart.

Sluiten