Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zwarte rook der stoombooten steeg omhoog en loste zich op in goudblonde vlokken. In de lucht wiegden zich de vogels en hun sneeuwwitte borsten schitterden als bladzilver dat de windhad weggevoerd uit de werkplaats van een goudsmid; en van 't nabijgelegen strand weerklonk 't gedruisch van 't leven van 't land als een sirenenlied vol lachende vreugde, zonder bittere tranen.

Allen behalve de kapitein strekten wij ons uit om met lichaam en ziel dat paradijs in ons op te nemen, met zichtbaren afgunst in de oogen jegens hen die 't genoten. En plotseling, ik weet niet hoe 't kwam, werd in mijn kinderborst door dat kleurige beeld een zacht geluk en een nog zachtere weemoed wakker, zoodat ik 't moest uiten, 't uitschreeuwen, want 't verstikte mij in het geweld waarmee 't me doorstroomde. En ik begon te zingen:

De moeder bakte voor haar zoon, den zeeman, een beschuit!... „Voor den duivel, wil je zwijgen, of ik sla 't roer op je hoofd-kapot!" onderbrak plotseling de stem van den kapitein. Ik vergat dadelijk 't zingen en wat 'k voelde en hield me stil in een hoek. Ik sla mijn oogen op en daar zie 'k in den fokkemast een uil zitten. Zijn zwarte klauwen waren gekromd om den rand van de mars en droegen 't lichaam zoo onbeweeglijk alsof hij nagemaakt was. En inderdaad leek hij heelemaal niet echt. 't Was de mooiste uil dien 'k ooit in mijn leven zag. De veeren met de erwtkleurige lijnen, dunner op de vooruitspringende borst, dikker op de vleugels en den

Sluiten