Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de kapitein zijn doel zou bereiken; we waren bang dat de vogel ver weg zou vliegen en ons ontsnappen in de donkere lucht. Ja, öf over hem, öf over ons moest dat slechte voorteeken losbarsten. Als hij den uil doodde zouden wij en 't schip en onze huizen gered zijn. Onze huizen en familie en vrienden. Immers wie wist of de uil den kapitein op 't oog had en niet een ander. Zeker, hij was wel de baas van 't schip, hij had te bevelen, en hij had thuis een zieke achtergelaten; maar wie kon 't zeker weten? 't Leek wel of de kapitein ons iets meedeelde van zijn woede, en ik kan gerust zeggen als iemand ons gezien had, zou hij gedacht hebben dat wij allemaal vergiftige paddestoelen hadden gegeten en niemand bij zijn verstand was!...

„Daar is hij, raak 'm!" riep dan de een dan de ander, met gebaren van handen en voeten naar den kapitein.

Met 't geweer in de hand, z'n haren overeind, z'n knevel woest, z'n gezicht vlammend, liep hij met vaart over 't dek heen en weer, in gespannen aandacht, rondkijkende met opengesperde oogen; 't leek wel of er zeeroovers op 't schip afkwamen.

Maar de vogel hield ons op tallooze manieren voor den mal. Hij vloog niet zoover weg dat hij uit Onze oogen vërdween, maar kwam ook niet zoo dicht bij dat de buks hem kon treffen. Hij verscheen rechts van ons en 't schip schoot op hem af. Hij vloog voor den voorsteven heen, steeds op den zelfden afstand, als een booze geest die't schip meetrok met onzichtbare strikken. Zoo kwamen we onder Milds of boven Jerakóénia, onder Eri-

Sluiten