Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MARlNOS KONDARAS

Van jongs af aan hield ik van varen. Ik ging in de boot, nam hengels en snoeren mee en als 'k zin had om te visschen, vischte 'k. Als 'k daar geen zin in had en er was wind, dan heesch 'k de ra, zette 't zeil uit, voer over de volle zee, landde waar 't toeval mij bracht op 't strand aan de overzijde en ging aan wal om iets nieuws te zien. Op zekeren dag bracht de landwind me naar Nerochóri.Waar dat Nerochóri ligt zal iedereen te weten komen die mijn eiland komt zien.

Toen 'k op de landingsplaats was gekomen, dacht 'k: laat 'k een kaars gaan aansteken voor den H. Nicolaas, den Patroon van 't dorp. Ik ga den weg op en wat zie 'k? Een lijkJ). Men had 't uit een huisje aan 't eind van 't dorp gehaald en bracht 't over naar de kerk. Een slecht voorteeken, zei'k bij mezelf. God zij dank, 't was 't lijk van een oude vrouw! Haar ongelukkige oude man die volgde, werd half gedragen, omdat hij zelf niet meer kon loopen. Nog verscheidene oude vrouwtjes volgden en twee of drie mannen. Ik ging ook met hen mee.

We gingen de kerk binnen. Ook een pleziertje, dacht 'k. Daar ga je uit om een prettige wandeling te hebben en dan kom je een lijk tegen. En als je nu later probeert te slapen, zie je dat alles weer voor je!...

't Dorp had geen andere kerk dan die van den H. Nicolaas. 't Was een kleine, lage, pikdonkere kerk die wel ongeveer honderd jaar oud moest zijn.

Sluiten