Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De jongens wisten dat Marinos Kondaras niet schertste.

„Maar als 't meisje jou niet hebben wil?" vraagt een van hen.

„Als ze mij niet wil hebben? Wel allemachtig, en zag je dan niet hoe ze bloosde toen 'k haar aankeek? Ach wat, onzin! Jij praat ook alsof je nog nooit een vrouw gezien hebt. We zullen nu de Kaap aan den overkant omgaan. Vanavond komen we in Thérma en landen daar. Ik zal zelf als een bedelaar verkleed van boord gaan. Jullie moeten wachten op zee bij 't strand."

Zoo gebeurde ook. 's Avonds tegen dat 't donker werd, klopte een bedelaar aan de deur van Physèkis. Gligóris was aan 't fuiven in de herberg: de muziek was nog niet weg. De oude vrouw kletste in de buurt; 't meisje zat alleen thuis om 't eten klaar te maken. Den heelen dag had Lemoni diep beschaamd doorgebracht. Haar oogen waren rood van 't huilen. Maar de meisjes uit de buurt die van haar hielden kwamen een voor een bij haar en beloofden dat zij haar nooit zouden honen of spotliedjes op haar zingen, want de schande was niet haar schuld, 't Meisje troostte zich en kwam 's avonds op haar verhaal. En ze begon te denken hoe veel beter 't toch zou zijn als hij zijn liefde toonde als een fatsoenlijk mensch, die goeie jongen! Met een paar woorden zou zij Gligóris wel tot andere gedachten hebben gebracht. Nu gaat hij verder, en zij zou hem nooit weer zien of hoor en!

Op dat oogenblik werd er aan de deur geklopt.

„Wie is daar?" vraagt 't meisje.

Sluiten