Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haakte hij steeds vele menschen uit de booten op 't stormachtige meer naar zich toe. En terwijl mijn liefste bad tot de H. Maagd, valt de haak op den jongen en haalt hem uit haar armen: 't kind verdween in den nevel. Mijn liefste bleef achter zonder kind en klaagde. De lucht rondom was vol van zulke klaagzangen. En onder haar klagen komt naast ons een vlugge boot met één enkel woest mensch erin. Onder 't voorbijgaan bukt de woeste man zich en neemt mijn liefste mee: zij verdween bliksemsnel voor mijn oogen.

Ik bleef alleen over in de verlaten boot, die nu op 't punt was te zinken. Maar in plaats van mee te verdrinken, spring 'k in de golven en ga als wanhopig aan 't zwemmen. Rondzwemmend zonder ergens hulp te vinden, al gingen er ook ontelbare booten voorbij, vond ik mijn gebroken riem en sloeg er mijn armen omheen om mij te redden. Ik begon nu tot besef te komen en toen barstten m'n tranen los, die ik door alle ellende tot nog toe bad ingehouden. Geen hoop had ik meer, geen kracht en ik keek niet meer om naar de andere booten maar ging voort zooals de stroom me voerde. Plotseling ging de wind weer liggen en werd 't meer kalm. Ik hief m'n hoofd op en keek rond of ik nu niet iemand aantrof die medelijden met mij had. En toen verscheen plotseling voor mij een groot zwart schip, met een groot zwart kruis midden op, en vol menschen in zwarte kleeren, maar goedhartig en medelijdend. Zij zagen mij, hadden medelijden met me en namen me op; zij redden mij en maakten dat ik al mijn ellende vergat."

NGN3

Sluiten