Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LEVENSSTRIJD.

Dagenlang zwierf 'k door de bergen, m'n oogen hadden zich verzadigd aan de woestheid, de grootschheid, 't verblindende van een oernatuur. En toch, zoo'n woeste, zoo'n lugubere streek had 'k nog niet-gezien. Geen fantazie kan zich zoo iets voorstellen, geen pen 't beschrijven, geen oog 't verdragen, geen ziel ervan genieten. Ik stapte van m'n muildier, gaf den halster aan den agojaat, en muildier en agojaat gingen vooruit, 't Pad was zoo smal als een lint, als een touwtje hier en daar; op schrikbarende wijze hing een ontzaglijke wollige sluier om mij heen waarmee de doffe, fijne, koude herfstregen mij omgaf: temidden daarvan dreef de natuur nog woester en huiveringwekkender.

Ik ging in een spelonk in de rotsen in elkaar gedoken zitten en spiedde rond. Boven m'n hoofd hingenreusachtigerotsen,duizelingwekkend hoog, rotsen als verbrijzeld door den wonderlijken moker van een vreeslij ken reus; aan den rand voor m'n voeten waren vreeslijke, ontoegankelijke afgronden, in de enge omarming van stokoude takken van steeneiken en ceders. Onstuimige watervallen stortten neer van de bergtoppen die hoog in de zwarte wolken verloren gingen, en sleurden met bliksemsnelheid en donderend lawaai vastgewortelde steenblokken en schuimend water mee. Een wonderlijk klokkenspel met kristallijnen klanken liet zich van omhoog en omlaag hooren, en zwarte wilde geiten vertoonden zich en sprongen rond en sleepten stukken rots en steenen in hun

Sluiten