Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE MOORDENAAR.

Een troepje menschen zat, even als op andere avonden, bij elkaar op 't erf, naast den put. Landelijke vreugde en een landelijk gezelschap, 't Maanlicht viel door de boomen van den tuin, de lamp bescheen de tafel, toen de waakhond woest naar de poort stoof. De deur ging open en de hond kwam terug met hangende ooren, ditmaal zachtjes en dof grommende. Hij kende den vreemdeling. De menschen die bijeenzaten kenden hem nog beter en maakten plaats voor m om te zitten. Hij wenschte goedenavond, keek schichtig rond, daar hij dezen avond ook nieuwe gasten aan tafel zag, en ging aan een van de uiteinden zitten, 't Was een lange, magere herder, een flinke jongen van twintig jaar, en z'n zilveren pistool blonk in z'n gordel, 't Gezelschap was op 't punt om in tedutten, omdat ze niets te doen hadden. Ze hadden alles gezegd wat kooplui uit de provincie, die aan een maaltijd buiten genoodigd waren, te zeggen hebben; er werden nog wat liederen gezongen, totdat de gastheer, een dikke ronde man die rijk was geworden met 't verkoopen van sardines, z'n gasten een teeken gaf en zich tot den nieuwen gast wendde:

„Kom Nikos, drink een glas wijn, en vertel ons' je liefdesgeschiedenis eens."

Nikos kwam wat overeind, schonk zich den wijn in, dronk, veegde z'nlippen af metz'n hemdsmouw, en blijkbaar ook zelf gewend geraakt aan 't vertellen van z'n liefdesgeschiedenis, ging hij met ge-

Sluiten