Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Oom Jannis en vind de menschen juist op 't punt om te gaan eten. Ze zaten allemaal aan tafel onder 't afdak bij 't licht van de lamp die aan den deurpost van de hut hing. Naast den ouden man zat een opperschaapherder. Hij was door onze streek gekomen en Oom Jannis, die een groot vriend van z'n vader was, had hem voor een paar dagen gastvrij opgenomen in de kooi. Zoo vertelden ze me. De kerel zat als een echte opperherder, z'n voeten gekruist, z'n hoofd trotsch opgericht, z'n fluweelen muts schuin op z'n hoofd, z'n foestanélla sneeuwwit. Toen 'k hem daar zoo zag zitten naast Oom Jannis, kreeg 'k een geweldig onrustig gevoel.

„Goeienavond!" zeg 'k.

Sommigen stonden op, anderen gaven me een hand; maar ze verwelkomden me allemaal een beetje stroef. Ze zagen er uit alsof ze 't me niet erg kwalijk hadden genomen als 'k nog wat langer was weggebleven. Met één oogopslag had 'k dat in de gaten: 'k wist niet wat 'k ervan moest denken. M'n oogen zochten vlug Róéso. Ze zat tegenover den herder, in elkaar gedoken als een natte kat, en sloeg haar oogen neer zoodra onze blikken elkaar ontmoetten. De zee vatte vlam en de visschen verbrandden. Iets als een groote bij kwam in m'n hoofd en draaide, draaide rond in m'n hersens als een molenrad; m'n hart klopte als een zware hamer in m'n borst en m'n oogen bliksemden.

Droom 'k of ben 'k wakker? dacht 'k. Onmiddellijk ga 'k op Róéso af en vraag haar hoe ze 't maakt, hoe 't met haar gaat, of ze niet ziek was ... 'k wist

Sluiten